BIOLOGIE
Hoofdstuk 7
Par 1, waarneming
Micro-organismen; alle organismen die klein zijn dat we ze iet met blote
oog kunnen zien.
Voedselvergiftiging; ontstaat door giftige afvalstoffen van
ziekteverwekkers.
Voedselinfectie; de darmen zijn ontstoken.
Rijken;
- planten
- dieren
- schimmels
- bacteriën
Flagel; een zweephaar waarmee ze zich kunnen verplaatsen.
Prokaryoten; bacteriën horen hier bij door het ontbreken van een celkern.
Eukaryoten; cellen van planten, schimmels en dieren horen hier bij.
Virussen; ze hebben geen cel meer DNA en RNA, ze dwingen een andere
cel (gastheer) binnen om nieuwe virussen te produceren.
Par 2, onderzoeksvraag
Manieren om bederven te remmen:
- invloed van gassen op het voedsel; door vacuüm voedsel te
verpakken, kunnen de bacteriën niet verder delen.
- osmose toepassen; bacteriën kunnen door het vele zout of suiker
niet overleven.
- conserveringsmiddelen; het is een toegevoegd product dat geen
smaakfunctie heeft, maar het zorgt er voor dat het voedsel niet
bederft.
- temperatuurbehandeling; bij een te lage temperatuur kunnen de
enzymen hun werk niet meer doen. Bij een te hoge temperatuur
denatureren de eiwitten en gaan ze dood.
pasteuriseren; verhitten bij 70 graden. De bacteriesporen gaan niet
stuk.
steriliseren; verhitten bij 120 graden. De bacteriesporen gaan ook
stuk.
UHT-technologie; blaast een machine super hete stroom (140
graden). Het beperkt de schade aan de smaak.
- doorstralen aflatoxine;
Onderzoeksvraag
Hypothese; je zet hier in wat je denkt dat er gaat gebeuren.
Methode/materiaal; wat je moet doen en wat je daar voor nodig hebt.
Resultaten; je zet hier in wat de uitkomsten waren van het proefje.
Conclusie; je concludeert de uitkomst en komt terug op de
onderzoeksvraag.
Hoofdstuk 7
Par 1, waarneming
Micro-organismen; alle organismen die klein zijn dat we ze iet met blote
oog kunnen zien.
Voedselvergiftiging; ontstaat door giftige afvalstoffen van
ziekteverwekkers.
Voedselinfectie; de darmen zijn ontstoken.
Rijken;
- planten
- dieren
- schimmels
- bacteriën
Flagel; een zweephaar waarmee ze zich kunnen verplaatsen.
Prokaryoten; bacteriën horen hier bij door het ontbreken van een celkern.
Eukaryoten; cellen van planten, schimmels en dieren horen hier bij.
Virussen; ze hebben geen cel meer DNA en RNA, ze dwingen een andere
cel (gastheer) binnen om nieuwe virussen te produceren.
Par 2, onderzoeksvraag
Manieren om bederven te remmen:
- invloed van gassen op het voedsel; door vacuüm voedsel te
verpakken, kunnen de bacteriën niet verder delen.
- osmose toepassen; bacteriën kunnen door het vele zout of suiker
niet overleven.
- conserveringsmiddelen; het is een toegevoegd product dat geen
smaakfunctie heeft, maar het zorgt er voor dat het voedsel niet
bederft.
- temperatuurbehandeling; bij een te lage temperatuur kunnen de
enzymen hun werk niet meer doen. Bij een te hoge temperatuur
denatureren de eiwitten en gaan ze dood.
pasteuriseren; verhitten bij 70 graden. De bacteriesporen gaan niet
stuk.
steriliseren; verhitten bij 120 graden. De bacteriesporen gaan ook
stuk.
UHT-technologie; blaast een machine super hete stroom (140
graden). Het beperkt de schade aan de smaak.
- doorstralen aflatoxine;
Onderzoeksvraag
Hypothese; je zet hier in wat je denkt dat er gaat gebeuren.
Methode/materiaal; wat je moet doen en wat je daar voor nodig hebt.
Resultaten; je zet hier in wat de uitkomsten waren van het proefje.
Conclusie; je concludeert de uitkomst en komt terug op de
onderzoeksvraag.