Organisatiekunde = een interdisciplinaire wetenschap die zich bezighoudt met het besturen van
het gedrag van organisaties alsmede de factoren die dit gedrag bepalen en bestuurd kunnen worden.
Organisatiekunde is beschrijvend (descriptief) en voorschrijvend (prescriptief)
Interdisciplinair = elementen afkomstig uit andere vakgebieden, die worden gebruikt voor een
nieuwe benadering (bedrijfseconomie, informatica, marketing en psychologie)
Multidisciplinair = goed zichtbaat uit welke elementen de wetenschap bestaat
Besturing = richting geven aan de processen binnen een organisatie
Doeltreffend (effectief) = de mate waarin de besturing slaagt.
Descriptief = beschrijving van het gedrag van de organisatie met motieven en gevolgen
Prescriptief = advies van een te volgen handelswijzen
Periode: voor de industriële revolutie (400 v. Chr. t/m 1900 na Chr.)
Plato, Aristoteles start bij de oude wijsheren
Machiavelli (1469-1527) uitbreiden van de macht en opportunisme. Als welvaartsbron goud en geld
Adam Smith (1723-1790) grondlegger van de moderne economie, arbeidsverdeling kan de
productiviteit sterk verhogen.
Frederick Taylor (1900) Scientific Management (industriële ondernemingen)
Taylor richt zich vooral op productieafdeling. Grondlegger van een meer systematische benadering
van bedrijfsvoering, de productie en efficiency schoot omhoog
Wetenschappelijke analyse van werkzaamheden en uitvoeren van bewegingsstudies
Vergaande taakverdeling en training van arbeiders
Hechte en vriendschappelijke samenwerking tussen leiding en arbeiders
Bedrijfsleiders verantwoordelijk voor analyse van en zoeken naar werkmethoden en het
scheppen van arbeidsvoorwaarden (coördineren, toezicht en resultaten controleren)
Juiste man op de juiste plaats door zorgvuldige selectie
Invoeren van prestatiebeloningen met als doel te komen tot lagere productiekosten
Achtbazenstelsel dit heeft nooit verder in werking getreden omdat de afstemming tussen chef en
medewerkets niet optimaal was
1. Tijd en kosten
2. Werkinstructies
3. Bewerking en hun volgorde
4. Werkvoorbereiding en uitgifte
5. Onderhoud
6. Kwaliteitscontroles
7. Technische leiding
8. Personeelsbeheer
Henry Fayol (1900) General Management-theorie (onderwijsmodel)
Richt zich op de gehele organisatie, verbanden leggen tussen managementgebieden en
managementtaken.
6 managementgebieden: De functies van managers bestaan uit 5 taken: + besturing
Plannen = Technisch, een actieplan opstellen
Organiseren = Commercieel, mensen en middelen op de juiste plaats binnen de organisatie
Bevel voeren = Financieel, ervoor zorgen dan de werknemers hun taken uitvoeren
Coördineren = Zelf beschermend, onderling afstemmen wat wie gaat doen
Controleren = Boekhouding, komen de resultaten overeen met het actieplan
, Organisatiekunde
Max Weber (1920) Bureaucratie
Bijdrage van Weber was vooral gericht op overheidsorganisaties en grote bedrijven vanuit een
sociologische invalshoek.
Sterk doorgevoerde taakverdeling
Hiërarchische bevelstructuur
Nauwkeurig afgebakende bevoegdheden en verantwoordelijkheden
Onpersoonlijke relaties tussen functionarissen
Werving op basis van bekwaamheden en kennis
Bevordering en beloning op basis van objectieve criteria en procedures
Uitvoering van werkzaamheden volgens vaste routineregels
Gegevens zijn vastgelegd in schriftelijke stukken
De macht van functionarissen is aan restricties gebonden
Mayo (1945) Human Relations
Naast objectieve factoren bestaan er ook subjectieve factoren (aandacht, zekerheid, ergens bij horen
en waardering). Sociale vaardigheden zijn voor leidinggeven zeek belangrijk
Hij experimenteerde met verkorte werktijden, langere rustpauzes en koffie en dat betaalde zicht uit in
meer productiviteit bij de medewerkers.
Experiment met lichtsterkte bij: door de aandacht die de werknemers kregen steeg de productiviteit.
Bij toenemende en afnemende lichtsterkte zou je verwachten dat de productiviteit ook to en
afneemt maar de productiviteit bleef juist stijgen
Bij constante lichtsterkte zou je denken dat de productiviteit ook constant zou blijven maar die
nam ook juist toe.
Likert e.a. (1950) Revisionisme
Relatie tussen Scientific Management en Human Relations
Scientific Management = Organisatie zonder mensen
Human Relations = Mensen zonder organisatie
Revisionisme = Mensen zonder organisatie (ontstond kritiek over)
Boulding (1950) Systeembenadering
Dat het management een organisatieprobleem integraal moet aanpakken.
Organisaties zijn een geheel van samenhangende delen
(Inkoop, verkoop, marketing, overheid, politiek, klanten)
Lawrence/Lorsch (1965) Contingentiebenadering
There is not one best way of management
De kunst van het ontdekken in welke situatie welke managementtechniek het best toegepast kan
worden.
Belangrijke situationele variabele is de omgeving consequenties voor de te kiezen:
Strategie, structuur en systeem