Basisstof 1
Organismen: levende wezens, bijvoorbeeld planten, dieren, schimmels en bacteriën.
Alle levende organismen vertonen levensverschijnselen, zoals voortplanting, groei, ontwikkeling en
stofwisseling.
Stofwisseling: alle chemische reacties in een organisme.
Levensloop begint direct na het ontstaan van het organisme. Dan begint een organisme met groeien
en ontwikkelen. De levensloop eindigt met de dood van het individu.
De individuen van een soort sterven, maar de soort blijft voortbestaan. Individuen behoren tot
dezelfde soort als zij zich onderling kunnen voortplanten en daarbij vruchtbare nakomelingen kunnen
voortbrengen. Alle individuen van een soort doorlopen tijdens hun levensloop dezelfde stadia. Dit
noem je de levenscyclus van een soort. De levenscyclus eindigt alleen als de soort uitsterft.
Ecosysteem: is min of meer begrensd gebied waarvan een levensgemeenschap en de niet-levende
natuur deel uitmaken.
Niet-levende natuur in een ecosysteem behoren bijvoorbeeld de temperatuur en de hoeveelheid
zonlicht.
Op een hoger organisatieniveau kunnen eigenschappen ontstaan die er op een lager
organisatieniveau niet zijn.