Samenvatting Communicanate & Samenreinicang (CS)
Dementezoig ican de piantjn - deel 2
3.2
Met de leeftid verandert het taalgebrutk. Jongvol assenen en mensen van mtddelbare leeftid
praten eerder tn korte ztnnen, met veel verschtllende oorden (vooral zelfstandtge naam oorden en
erk oorden).
Bti alzhetmerpatiënten ordt de spreektaal geletdeltik armer aan tnhoud en eggelaten oorden
orden vervangen door lege oordies zoals ‘dtnges’ of ‘tets’. Of ver tizende oorden zoals ‘zti’ of
‘hti’, zonder dat dutdeltik ts om te of at het gaat. Bti frontotemporale dementie ordt de spraak
vaak korter, als een soort steno. Bti gevorderde dementie spreekt de persoon vaak helemaal ntet
meer (mutisme).
3.3
Afaste stoornts tn taal.
Bti afaste gaat het om de taalfunctiee dte omvat meer dan spreken alleen. Van de taalfuncties kunnen
sommtge verstoord en andere behouden ztin, zoals spontaan spreken, lezen, benoemen van
voor erpen, begrtipen van gesproken taal, nazeggen en schrtiven. Deze en andere functies kunnen
tsselend en op verschtllende manteren aangedaan ztin. Bedenk daarbti dat taalkundtgen,
logopedtsten, psychologen en anderen verschtllende tndeltngen aanhouden voor typen afaste. Een
grove maar praktische tndeltng ts de volgende.
Expressteve of el motortsche afaste. Er ztin vooral problemen tn het taalgebrutk: spreken,
schrtiven.
Receptieve of el sensortsche afaste. Er ztin vooral problemen tn taalbegrtp: het begrtipen van
taal en/of lezen.
Gemengde of el globale afaste. Een combtnatie van de eerste t ee soorten.
Dysartrte door een verlammtng of coördtnatieproblemen van de spraakspteren, komt er een ktnk tn
de kabel at betref het vormen van de spraakklanken. Er ts een onvermogen om de
spreekbe egtngen (ademdruk, stem geven, articulatie) vooraf te programmeren, te coördtneren en
vervolgens vloetend utt te voeren. Vaak ztin er af tiktngen tn de toon en melodte van spreken
(btivoorbeeld vlak of hees spreken). Ook sltk- en kau problemen komen vaak voore soms kan de
persoon ztin speeksel ntet meer tn de mond houden.
Mensen met dysartrte praten ondutdeltik, maar eten prectes at ze tllen zeggen en het taalbegrtp
ts ook goed. Soms btedt een stemversterker (mtcrofoon met versterker en lutdsprekertie) uttkomst.
Wortsalat oordenbrti, onbegrtipeltike en onsamenhangende spraak.
Mutisme onvermogen (of on tl) tot spreken.
T eesporengesprek gesprek aarbti de verhaalltin van persoon A los staat van persoon B (en
omgekeerd). Er ts geen tnhoudeltike reacties en afstemmtng op de boodschappen van de ander.
Dementezoig ican de piantjn - deel 2
3.2
Met de leeftid verandert het taalgebrutk. Jongvol assenen en mensen van mtddelbare leeftid
praten eerder tn korte ztnnen, met veel verschtllende oorden (vooral zelfstandtge naam oorden en
erk oorden).
Bti alzhetmerpatiënten ordt de spreektaal geletdeltik armer aan tnhoud en eggelaten oorden
orden vervangen door lege oordies zoals ‘dtnges’ of ‘tets’. Of ver tizende oorden zoals ‘zti’ of
‘hti’, zonder dat dutdeltik ts om te of at het gaat. Bti frontotemporale dementie ordt de spraak
vaak korter, als een soort steno. Bti gevorderde dementie spreekt de persoon vaak helemaal ntet
meer (mutisme).
3.3
Afaste stoornts tn taal.
Bti afaste gaat het om de taalfunctiee dte omvat meer dan spreken alleen. Van de taalfuncties kunnen
sommtge verstoord en andere behouden ztin, zoals spontaan spreken, lezen, benoemen van
voor erpen, begrtipen van gesproken taal, nazeggen en schrtiven. Deze en andere functies kunnen
tsselend en op verschtllende manteren aangedaan ztin. Bedenk daarbti dat taalkundtgen,
logopedtsten, psychologen en anderen verschtllende tndeltngen aanhouden voor typen afaste. Een
grove maar praktische tndeltng ts de volgende.
Expressteve of el motortsche afaste. Er ztin vooral problemen tn het taalgebrutk: spreken,
schrtiven.
Receptieve of el sensortsche afaste. Er ztin vooral problemen tn taalbegrtp: het begrtipen van
taal en/of lezen.
Gemengde of el globale afaste. Een combtnatie van de eerste t ee soorten.
Dysartrte door een verlammtng of coördtnatieproblemen van de spraakspteren, komt er een ktnk tn
de kabel at betref het vormen van de spraakklanken. Er ts een onvermogen om de
spreekbe egtngen (ademdruk, stem geven, articulatie) vooraf te programmeren, te coördtneren en
vervolgens vloetend utt te voeren. Vaak ztin er af tiktngen tn de toon en melodte van spreken
(btivoorbeeld vlak of hees spreken). Ook sltk- en kau problemen komen vaak voore soms kan de
persoon ztin speeksel ntet meer tn de mond houden.
Mensen met dysartrte praten ondutdeltik, maar eten prectes at ze tllen zeggen en het taalbegrtp
ts ook goed. Soms btedt een stemversterker (mtcrofoon met versterker en lutdsprekertie) uttkomst.
Wortsalat oordenbrti, onbegrtipeltike en onsamenhangende spraak.
Mutisme onvermogen (of on tl) tot spreken.
T eesporengesprek gesprek aarbti de verhaalltin van persoon A los staat van persoon B (en
omgekeerd). Er ts geen tnhoudeltike reacties en afstemmtng op de boodschappen van de ander.