Samenvatting Informaeetechnologie (IT)
Digitale reader sensortechnologie
Een sensor is een instrument dat een geweten grootheid (input) opzet in outputsignaal. Het
outputsignaal kan op zijn beurt weer leiden tot een handeling of acte ia een actuator. Een sensor
kan daardoor worden ergeleken met een zintuig.
Een thermometer zet bij oorbeeld gemeten grootheid ‘temperatuur’ (input) om in een getal dat je
kunt afezen (output).
Een gassensor meet of er gas lekt (input). Is dit het ge al, dan wordt er een signaal (output)
afgege en aan het alarm (actuator).
Een sensorsysteem kun je opdelen in:
1. Input.
2. Sensor.
3. Outputsignaal.
4. Actuator.
Een sensorsysteem kun je gebruiken om iets te meten. We spreken dan an een meetsysteem.
Input de grootheid die de sensor moet meten of controleren.
Drie typen sensoren:
- Fysische sensoren meten de natuurkunde grootheid.
Hierbij kun je denken aan:
a) Mechanische grootheden (kracht, druk, geluid, etc.).
b) Thermische grootheden.
c) Stralingsgrootheden (infrarood, licht, röntgen, etc.).
d) Magnetsme.
- Chemische sensoren nemen een erandering in chemische samenstelling waar.
Bij oorbeeld de hoe eelheid gas in lucht of de lucht ochtgheid.
- Biologische sensoren meten de biologische samenstelling.
Sensor een black box die de input omzet in een outputsignaal.
Bij oorbeeld als je een lichtschakelaar indrukt, gaat het licht aan, maar het is aan de buitenkant niet
zichtbaar dat er in de lichtschakelaar na het indrukken (input) een stroomkring wordt gesloten
waardoor er stroom (output) gaat lopen en de lamp (actuator) kan gaan branden.
Iedere type sensor zet de gemeten grootheid op een ander manier om in een output. Meestal werkt
dit op basis an elektrische stroom.
Veel inputgrootheden eranderen namelijk de elektrische eigenschappen an een amteriaal, wat
er olgens door de sensor kan worden waargenomen.
, Figuur 1 voorbeelden
Het feit dat eel sensoren gebaseerd zijn op elektriciteit, geef ook aan dat ze een spanningsbron
nodig hebben om te kunnen werken (dit kan het stroomnetwerk zijn maar ook een ambulante accu).
Output:
De meeste sensoren zeten de inputgrootheid om in een elektrische outputsignaal. De output kan
echter ook mechanisch of optsch an aard zijn.
Het outputsignaal kan worden onder erdeel in zogenaamde:
- Analoge signalenontstaat zonder tussenkomst an computertechnologie en kan binnen
bepaalde grenzen iedere waarde aannemen, dit wordt daarom ook wel een contnu signaal
genoemd. Zo is bij een analoge kwikthermometer in principe iedere aarde af te lezen, zo lang
deze maar binnen het bereik an de thermometer alt.
- Digitale signalen een signaal dat door tussenkomst an een computer is omgezet in
discrete stappen. Dat betekent dat er binnen het bereik an het meetnstrument slechts een
beperkt aantal waarden mogelijk is. De simpelste ariant hier an is het dichotome
outputsignaal, waarbij slecht twee mogelijke waarden zijn: bij oorbeeld ‘aan’ of ‘uit’, ‘0’ of
‘1’. Vaak zijn er meer mogelijkheden: bij een digitale thermometer wordt bij oorbeeld de
temperatuur in 256 gelijke stappen (0-255) ingedeeld en dit zijn dan ook de enige waarden
die kunnen worden weergege en. Vaak zit er een in een sensor een analoog-digitaal
con erter die het analoge output signaal omzet in een digitaal signaal dat dus kan worden
uitgelezen door een ‘computer’ en kan worden weergege en op een digitaal display.
Andersom kan ook het ge al zijn: een digitaal signaal kan door een digitaal-analoog con erter
bij oorbeeld worden ertaald naar een bepaald oltage dat wordt doorgege en aan een
actuator.
Digitale reader sensortechnologie
Een sensor is een instrument dat een geweten grootheid (input) opzet in outputsignaal. Het
outputsignaal kan op zijn beurt weer leiden tot een handeling of acte ia een actuator. Een sensor
kan daardoor worden ergeleken met een zintuig.
Een thermometer zet bij oorbeeld gemeten grootheid ‘temperatuur’ (input) om in een getal dat je
kunt afezen (output).
Een gassensor meet of er gas lekt (input). Is dit het ge al, dan wordt er een signaal (output)
afgege en aan het alarm (actuator).
Een sensorsysteem kun je opdelen in:
1. Input.
2. Sensor.
3. Outputsignaal.
4. Actuator.
Een sensorsysteem kun je gebruiken om iets te meten. We spreken dan an een meetsysteem.
Input de grootheid die de sensor moet meten of controleren.
Drie typen sensoren:
- Fysische sensoren meten de natuurkunde grootheid.
Hierbij kun je denken aan:
a) Mechanische grootheden (kracht, druk, geluid, etc.).
b) Thermische grootheden.
c) Stralingsgrootheden (infrarood, licht, röntgen, etc.).
d) Magnetsme.
- Chemische sensoren nemen een erandering in chemische samenstelling waar.
Bij oorbeeld de hoe eelheid gas in lucht of de lucht ochtgheid.
- Biologische sensoren meten de biologische samenstelling.
Sensor een black box die de input omzet in een outputsignaal.
Bij oorbeeld als je een lichtschakelaar indrukt, gaat het licht aan, maar het is aan de buitenkant niet
zichtbaar dat er in de lichtschakelaar na het indrukken (input) een stroomkring wordt gesloten
waardoor er stroom (output) gaat lopen en de lamp (actuator) kan gaan branden.
Iedere type sensor zet de gemeten grootheid op een ander manier om in een output. Meestal werkt
dit op basis an elektrische stroom.
Veel inputgrootheden eranderen namelijk de elektrische eigenschappen an een amteriaal, wat
er olgens door de sensor kan worden waargenomen.
, Figuur 1 voorbeelden
Het feit dat eel sensoren gebaseerd zijn op elektriciteit, geef ook aan dat ze een spanningsbron
nodig hebben om te kunnen werken (dit kan het stroomnetwerk zijn maar ook een ambulante accu).
Output:
De meeste sensoren zeten de inputgrootheid om in een elektrische outputsignaal. De output kan
echter ook mechanisch of optsch an aard zijn.
Het outputsignaal kan worden onder erdeel in zogenaamde:
- Analoge signalenontstaat zonder tussenkomst an computertechnologie en kan binnen
bepaalde grenzen iedere waarde aannemen, dit wordt daarom ook wel een contnu signaal
genoemd. Zo is bij een analoge kwikthermometer in principe iedere aarde af te lezen, zo lang
deze maar binnen het bereik an de thermometer alt.
- Digitale signalen een signaal dat door tussenkomst an een computer is omgezet in
discrete stappen. Dat betekent dat er binnen het bereik an het meetnstrument slechts een
beperkt aantal waarden mogelijk is. De simpelste ariant hier an is het dichotome
outputsignaal, waarbij slecht twee mogelijke waarden zijn: bij oorbeeld ‘aan’ of ‘uit’, ‘0’ of
‘1’. Vaak zijn er meer mogelijkheden: bij een digitale thermometer wordt bij oorbeeld de
temperatuur in 256 gelijke stappen (0-255) ingedeeld en dit zijn dan ook de enige waarden
die kunnen worden weergege en. Vaak zit er een in een sensor een analoog-digitaal
con erter die het analoge output signaal omzet in een digitaal signaal dat dus kan worden
uitgelezen door een ‘computer’ en kan worden weergege en op een digitaal display.
Andersom kan ook het ge al zijn: een digitaal signaal kan door een digitaal-analoog con erter
bij oorbeeld worden ertaald naar een bepaald oltage dat wordt doorgege en aan een
actuator.