Knitisch R nenken binnen Ren venplleegknnnig plnocch es
1.1
6 stappen verpleegkundig proces:
1. Anamnese.
2. Diagnose.
3. Planning van de resultaten.
4. Planning van de interventes.
5. Uitvoering.
6. Evaluate.
1.2
Holistsch beschouwen bezig houden met menselijke reactes.
Intermenselijk aanpassen aan de ouderrol veroorzaakt stress na de geboorte van een baby.
Interdisciplinaire samenwerking verpleegkundigen, artsen, en andere beroepsoefenaars
samenwerken om patintenzorg te plannen en te verlenen.
Vakbekwaamheid niet wat je weet of doet, maar hoe je het doet.
1.3
Het verpleegkundig proces:
- Bevordert samenwerking.
- Is kostenefectef kortere ziekenhuisopnamen.
- Helpt de mens te begrijpen wat verpleegkundigen doen.
- Is nodig voor de professionele standaard.
- Verhoogt cliintenpartcipate in de zorg en bevordert de autonomie van de cliint.
- Bevordert de individuele zorg.
- Bevordert efciinte.
- Ondersteunt contnuuteit en coördinate van zorg.
- Vergroot de arbeidssatsfacte.
1.4
Verpleegkundig proces:
- Dynamisch en cyclisch.
- Cliint centraal.
- Holistsch iedere patint is een individu.
- Planmatg en resultaat gericht.
- Evidence based.
- Flexibel.
- Algemeen toepasbaar.
- Gericht op de gezondheidstoestand.
- Cognitef (denk) proces.
Fasen verpleegkundig proces:
- De huidige gezondheidstoestand van het individu? Anamnese en diagnose.
- De wenselijke gezondheidstoestand van het individu? Planning van de resultaten.
- Hoe kan ik dit individu helpen? Planning van interventes en uitvoering.
, - Heef het geholpen? Evaluate.
Anamnese verzamelen en ordenen van de gegevens.
Diagnose vaststellen van de huidige gezondheidstoestand.
Planning van de resultaten bepalen van de wenselijke resultaten.
Planning van de interventes selecteren van de verpleegkundige interventes.
Uitvoering uitvoeren van het zorgplan.
Evaluate vaststellen of de beoogde resultaten zijn bereikt.
Probleemoplossing proces van het vaststellen van een probleem om daarna maatregelen te
plannen en te nemen om het probleem op te lossen.
Weetschappelijke methode systematsche en logische methode voor het oplossen van problemen
en is gebaseerd op onderzoeksgegevens en hypothesen.
Intuute probleemoplossende benaderingswijze die vertrouwt op het innerlijke gevoel van iemand.
Proefondervindelijke methode (trial and error) aantal oplossingen proberen voordat je er een
gevonden hebt die werkt.
1.5
Intermenselijke vaardigheden communicate met mensen.
2.2
Kenmerken kritsch denken:
- Kritsch denken is ratoneel en redelijk het denken beredeneerd is en niet berust op
vooroordelen, voorkeuren, eigenbelang of angst.
- Kritsch denken omvat conceptualiseren het intellectuele proces van het vormen van een
begrip.
- Kritsch denken vereist relecte.
- Kritsch denken omvat zowel cogniteve (denk)vaardigheden als gedragingen (gevoelens).
- Kritsch denken omvat createf denken.
- Kritsch denken vereist kennis.
Kritsch denken omvat:
- Ratonaliteit en rede.
- Relecte.
- Vaardigheden en houdingen.
- Createf denken en kunnen conceptualiseren.
- Kennis.
Wetenschappelijke kennis feiten, informate, principes en theoriein.
Vakbekwaamheid manier waarop verpleegkundigen hun kennis gebruiken.
Ethische kennis kennis die nodig is om een relate te kunnen leggen tussen de te dragen
beroepsverantwoordelijkheid, de na te leven kwaliteitseisen die opgesteld zijn conform de
beroepscode en de algemeen geldende morele principes, zoals algemeen maatschappelijke fatsoens-
en beleefdheidsregels.
Zelfennis kennis die je bezit over de wijze waarop je jezelf als individueel verpleegkundige
verhoudt tot anderen en tot je vakgebied.
, De typen verpleegkundige kennis:
- Verplegingswetenschap.
- Vakbekwaamheid.
- Zelfennis.
- Ethiek.
2.4
Cognite vermogen om kennis op te doen.
Cogniteve vaardigheden intellectuele actviteiten die je verricht tjdens de complexe
denkprocessen.
Jargon bestaat uit uitdrukkingen en technische begrippen die begrepen en gebruikt worden door
een bepaalde groep, bijvoorbeeld verpleegkundige of artsen, maar niet door andere mensen.
Eufemisme zogenaamde verzachtend of verbloemend en minder objectef begrip dat de plaats
inneemt van een directe en misplaatste uitdrukking.
Waarnemen proces waarbij je de zintuigen gebruikt.
Classiferen proces waarmee je dingen groepeert op basis van hun overeenkomsten of
gemeenschappelijke kenmerken.
Analogie speciaal soort vergelijking die aangeef hoe zaken uit verschillende categoriein met
elkaar overeenkomen.
Redeneren zodanig logisch denken dat gedachten op een zinvolle wijze met elkaar verbonden
worden.
Deductef redeneren conclusie wordt afgeleid uit een algemene theorie, uitspraak, generalisate,
vooropgezete stelling of concreet feit.
Relevante gegevens feiten die belangrijk of van betekenis zijn.
Irrelevante factoren factoren hebben niets met de kweste van doen of ze hebben wel enige relate
met de kweste maar deze is niet van belang.
Impliceren dat je iets indirect uitdrukt; je suggereert iets zonder het te benoemen.
2.5
Relecte of relectef redeneren manier van denken waarbij je met een groot scala aan
mogelijkheden relecteert op de merites van iedere situate.
Klinische beoordelingen conclusies en meningen die je, op basis van patintengegevens hebt
gevormd over de gezondheid van de patint.
2.8
Richtlijnen die kritsch denken ondersteunen:
- Verricht een zelfonderzoek.
- Tolereer verschillen.
- Zoek situates op waar kritsch denken wordt toegepast.