Verpleeg echnische Handelingen
3. sondevoeding
1.0
Een neusmaagsonde is een holle fexibele slang, die via de neus, keel en slokdarm in de maag wordt
gebracht.
1.2
, 1.4
Als de sonde niet meer in de maag ligt maar in de keelholte, kan er voeding in de longen van de
zorgvrager lopen. Dat noemen we aspirate. Aspirate is het bij inademing aanzuigen van een vaste
stof of van een vloeistof in de luchtwegen. De zorgvrager loopt het risico dat hij een longontsteking
krijgt. Het aspireren van een grote hoeveelheid sondevoeding ineens kan zeer ernstge gevolgen
hebben. Om deze complicate te voorkomen is het belangrijk dat je na het inbrengen van de sonde
de ligging ervan controleert door de pH van de maaginhoud te meten.
Tijdens het inbrengen van een neusmaagsonde kan de nervus vagus worden geprikkeld. Hierdoor kan
er een bradycardie bij de zorgvrager ontstaan. Een bradycardie is een ritmestoornis waarbij het hart
te traag klopt. Controleer vóór en na inbrengen van de sonde de polsslag. Verwijder de
neusmaagsonde als je een bradycardie waarneemt en waarschuw de arts.
1.7
Bij de verzorging van een zorgvrager die sondevoeding krijgt, zijn vaak verschillende zorgverleners
betrokken, namelijk:
De arts van de organisate of de huisarts (opdrachtgever).
De diëtst die advies geef over het soort sondevoeding.
Het verplegend (wijkverpleegkundige) en verzorgend personeel.
Rapporteer bijzonderheden die wijzen op complicates aan de coördinerend verpleegkundige en/of
arts. Daarnaast moet je de volgende aspecten altjd standaard in het verpleegdossier noteren:
De toegediende hoeveelheid water en voeding op de vochtlijst of vochtbalans;
De reactes van de zorgvrager;
De datum, het tjdstp en de hoeveelheid toegediende sondevoeding.
3.0
Sondevoeding, ook wel enterale voeding genoemd, is voeding die de normale voeding (tjdelijk of
blijvend) vervangt of aanvult. Een zorgvrager krijgt sondevoeding als hij om een bepaalde reden geen
vocht of voedsel op de normale manier tot zich kan of mag nemen.
3.1