• Tumor → CT-scan van plek van tumor → op scherm precies zien waar de tumor ligt en straling wordt op
de tumor gericht en je wordt vervolgens van alle kanten bestraald.
• Behandeling van tumor in HH-gebied
o Scan van hoofd
o Hoe hoger de dosis, hoe roder
o Volume van orgaan dat radiotherapeut (x-as) intekent tegen de dosis (y-as)
o Target 1 hogere dosis dan target 2 bijvoorbeeld
o Ruggenmerg ontwijken → computer rekent zo dat deze niet wordt bestraald, zodat er geen
dwarslaesie wordt ontwikkeld.
o Kaken: kunnen wel tegen een dosis
o Parotis en speekselklier → krijgt deel van straling, kan niet voorkomen worden!
• Straling geïnduceerde hyposalviatie
o Bij tumor → speekselklieren kunnen niet ontweken worden.
o Parotis, lingualis en submandibularis krijgen flinke dosis straling → binnen enkele weken
vermindering van speekselproductie.
▪ Soms gaat de speekselproductie iets omhoog (20%), maar normaal niet veel.
▪ Patiënten vallen erg af.
• Schade aan speekselklieren na radiotherapie van HH-tumoren
o Niks doen → binnen 3 maanden veel cariës en tanden vallen eruit.
o Speeksel beschermt normaal tegen veel bacteriën, virussen en zuren.
o 40% van de behandelde patiënten krijgen xerostomie.
▪ Droge mond syndroom
▪ Tandbederf
▪ Slapeloosheid
▪ Constante dorst
▪ Moeite met spreken
▪ Moeite met eten
▪ Smaakverlies
o Sterkte afname van kwaliteit van leven (Qol)
▪ 80% overleeft uiteindelijk de kanker.
• Stamcellen zijn doelwit voor straling
o Stamcellen moeten kunnen overleven zodat ze nieuw weefsel kunnen
maken.
o Altijd balans tussen celproductie en celverlies
o Ouder worden → celverlies gaat omhoog, balans is er niet meer.
o Stamcellen belangrijk voor hoe je een orgaan intact houdt.
• Tijdseffect
o Straling → knipt DNA in stukjes en bij deling kan DNA niet goed
dupliceren en weer uit elkaar gaan (scheiden) → cel gaat dood.
o In normaal weefsel → stamcellen delen de hele tijd als een cel dood gaat,
maar delen niet heel snel.
▪ In darm hele snelle delende cellen (elke 3 dagen geheel
vervangen van darm), maar gaan ook heel snel dood.
• Cellen delen zo snel dus is prima als je maar genoeg
stamcellen over hebt.
▪ Nieren en blaas
• Cellen gaan heel lang mee en na bijna een jaar gaan ze
een keer dood en worden ze vervangen → naar mate
de tijd vordert, gaat het orgaan achteruit.
• Zolang DNA niet gedupliceerd hoeft te worden dan
gaat het goed.
▪ Stamcellen bepalen wanneer het effect van straling werkt.
• Beenmerg transplantatie
o Muizen bestralen en beenmerg teruggeven → overleven.
▪ Mensen worden ook met beenmergtransplantatie behandeld wanneer ze veel straling hebben gehad.
▪ Stamcellen voor bloedvormend systeem zitten in beenmerg → repareren het systeem en cellen worden weer
gevormd. (Turnover tijd is relatief kort).
• Type stamcellen
o Totipotente stamcellen → kunnen heel individu maken.
o Pluripotent → blastocyt ingekapseld in baarmoederwand →
embryonale stamcellen kunnen makkelijk groeien. Deze kunnen niet
meer een individu maken, zoals placenta maken → kunnen wel alle
organen van je lijf maken, maar dus niet een geheel individu.
▪ Als je deze cellen zomaar in spuit krijg je een tumor → eerst
omvormen tot een orgaan.
▪ Een paar cellen inspuiten → gegarandeerd een tumor krijgen.
o Elk orgaan bevat stamcellen
▪ Haar heeft bepaalde leeftijd, groeit weer aan door stamcellen.
Darmcellen → crypten worden vervangen door stamcellen.
▪ Stamcellen in hersenen (neurale stamcellen) en stamcellen in
beenmerg (haematopoëtische stamcellen).
, • Dit zijn adulte stamcellen, zijn multipotent: kunnen alle cellen van het orgaan maken.
• Adulte (somatische of van weefsel afkomstige) stamcellen: zijn orgaan specifiek, en vormen alleen celtypen waaruit ze
voortkomen (unipotent).
o Stamcel gaat delen → deelt altijd in twee cellen, asymmetrisch, een blijft een stamcel en andere differentieert in
dochtercel (gewone cel) en gaat delen en vormt een orgaan. Gaat bv. levercellen maken.
▪ Kan alle cellen van een orgaan maken.
• Stamcel van haar
o Transplanteren in muizen zonder haar → stamcel maakt haar.
• Stamceltherapie
o We willen gezonde stamcellen hebben.
o Patiënt wordt bestraald → wordt zo veel bestraling dat er een probleem plaatsvindt.
o Vóór radiotherapie een stukje speekselklier weghalen, kweken en daarna terugzetten
(transplantatie) in de patiënt → hierdoor patiënt laten genezen.
▪ Maar is lastig!
• Speekselklier → alle cellen gaan aan elkaar vastzitten, i.t.t.
beenmerg waar de cellen los van elkaar zitten.
• Speekselklier, belangrijke celsoorten
o Druivenvorm: speeksel wordt hier gemaakt, wordt afgevoerd door ducti en komt
in de mond terecht.
o Muceuze: maken mucines → voel je als je over je tand heen gaat.
o Sereuze: amylase → voorvertering van voedsel.
o Stamcellen zitten ergens in de ducten → stamcel vernieuwt zich en maakt een
nieuwe cel er weer naast → zie plaatje.
▪ Stamcellen zitten dus ergens tussen in, maar je weet niet precies waar
deze zitten.
▪ Stamcellen zijn vaak heel klein, alleen cytoplasma en kern omdat ze nog
niet gedifferentieerd zijn.
• Karakteristieken van stamcel
o Zichzelf vernieuwen
o Cellen van weefsels maken (differentiatie dochtercel)
o Isolatie van speekselklier stamcellen → hyaluronidase
knipt de cellen los van elkaar → deze stoppen in een
bak met groeifactoren en deze zorgen ervoor dat alle
cellen die kunnen delen gaan delen.
▪ Stamcellen gaan dan heel erg delen →
wellicht gaan ze groeien en kunnen ze gaan
werken!
o A: mengsel van cellen uit eerste stap
o B: groeimedium → allemaal klompjes cellen gaan
groeien → groot deel van cellen eromheen gaan dood,
verdwijnen of zakken naar bodem.
o D: celdeling gaat plaatsvinden → bruine cellen: delende
cellen, dit zijn dan stamcellen of andere cellen die
kunnen delen.
• Asymmetrisch delen → ene wordt stamcel, andere progenitorcel die verder
deelt, uiteindelijk een klompje cellen met stamcellen en andere cellen.
• Symmetrisch delen → heel veel stamcellen → maar tumor ontstaat.
• Restrictief delen → verschillende omgevingsfactoren → gedifferentieerde
cellen ontstaan → geen stamcellen zitten er meer in → probleem!!