2. Beschrijven waaruit het klinisch onderzoek bestaat bij een acute pijnklacht.
4. Aangeven welke strategieën kunnen worden gevolg bij een acute pijnklacht.
6. De betekenis van met pijn gepaard gaande symptomen duiden.
2.3 Diferentële diagnostek bij orofaciale pijn
o De pijnklacht
Veroorzaakt door pathologie, somatsche verwerking hersenen,
lichamelijke condite, cogniteve, emotonele, sociale en gedragsmatge
aspecten. (Tabel 2.2).
1. Aangeven welke anamnetsche informate nodig is bij de diferentële diagnostek van een acute
pijnklacht.
Bestaan of dreiging van ontwikkelen van chronisch pijnsyndroom moet
zo vroeg mogelijk worden onderkend in anamnese.
3. Aangeven wanneer sprake is van een neiging tot chroniciteit.
Chronische aandoening wanneer de tjd die normaal gesproken nodig is
om genezing te bewerkstelligen, overschreden is (3 mnd) en pijnklacht
aanhoudt.
Psychosociale factoren hebben een grotere invloed wanneer pijn langer
bestaat.
Patënt gaat zich terugtrekken uit dagelijke actviteiten.
Stemmingsveranderingen mogelijk.
o Slaappattroon kan hierdoor veranderen.
Kenmerken van sensitsate moeten herkend worden om het ontwikkelen van chroniciteit te voorkomen.
o Pijn op basis van weefselschade: nocicepteve pijn
Lokalisate van waargenomen pijn als uitgangspunt voor diagnose. (Tabel 2.3).
, 7. De diferenteel diagnostsche mogelijkheden aangeven bij acute pijnen op verschillende lokalisates in het gelaat.
Meestal nocicepteve pijn: pijn veroorzaakt door noxische (mechanische, thermische, chemische, infecteuze)
stmulate van zenuwreceptoren (nociceptoren).
Diferenteel diagnostsch onderscheid maken tussen (tabel 2.4):
Mucogingivale
pijn =
oppervlakkige pijn
(huid, mucosa)
o Goed lokaliseerbaar.
o Plaats van waargenomen pijn komt overeen met oorzaak pijn.
o Pijn elimineren door toediening van oppervlakte anesthesie.
o Provocate geef betrouwbare en vorospelbare respons en geen aanleiding tot secundaire
manifestates.
Musculoskeletale pijn (parodontum, kaakgewricht, kauwspieren)
Niet-musculoskeletale ‘diepe’ pijnbeelden pijn uitgaande van sinus, glandulae en bloedvaten (sinusits
maxillaris, pulpits, sialodenits, faryngits, tonsillits)
o Difuus en respons op provocate is minder betrouwbaar.
o Belangrijke valkuil: lokalisate en pijnwaarneming hoeven niet overeen te komen met oorsprong
van pijn.
o Vaak sprake van secundaire pijn (hyperalgesie, refered pain).
5. Aangeven op grond van welke kenmerken, verschillende typen pijn van elkaar kunnen worden onderscheiden.
o Mucogingivale pijn
DD: pijn die in oppervlakkige weefsels (mucosa, gingiva) wordt waargenomen kan ook refered pain zijn.
Verdwijnt niet na toediening van lokale (oppervlakte) anesthesie.
Andere oorzaak van pijn: odontogene, otogene, sinogene, artrogene, myogene of neurovasculaire
oorsprong.
DD: Neuropathische pijn (vb. neurits of deaferentatepijn) geef vaak ook andere neurologische symptomen.
DD: Littekencontractepijn reageert op lokale anesthesie.
o Musculoskeletale pijn
Komt frequent voor in orofaciale gebied.
Gewrichtspijn (artralgie) kan secundair tendomyogene pijn veroorzaken.
Pijn door overbelastng van pezen en spieren treedt vaak op bij muscle splintng (het fxeren van spieren)
doordat atralgie aanleiding geef tot veranderingen in actviteitspatronen van de kauwmusculatuur.
Intermitterende pijn in kaakgewricht kan habituele bewegingsveranderingen teweegbrengen.
Inflammatoire pijn kan leiden tot secundaire efecten
Refered pain
Hyperalgesie