Leerdoelen:
De DIO kan aangeven waarom de verschillende componenten van de voedingskundige
analyse van belang zijn bij het ontwerpen van een voorlichting en kan hierbij de
perspectiefwisseling maken naar een andere beroepsrol (behandelaar, productontwikkelaar
en beleidsadviseur).
De DIO is in staat om bij het geschetste thema en bij casuïstiek relevante nutriënten te
identificeren.
De DIO is in staat om de geïdentificeerde nutriënten uit te werken op basis van de
voedingskundige analyse.
De DIO kan uitleggen hoe en waarom de geïdentificeerde nutriënten een rol spelen bij het
verklaren van casuïstiek.
De DIO kan daarbij de voor de betreffende nutriënten opgestelde voedingsnormen
verantwoorden en aanpassen aan andere voedingspatronen en cliëntgroepen.
Nutriënt Voedingsnormen Aanvaardbare bovengrens
Koolhydraten AH= 4,1 gram/kg per dag (40 en%) 70 en%
Eiwitten AH= 0,8 gram/kg per dag (8-9 en%) 25 en%
15-25 en%
Vetten AI= 20-40 en% 40 en%
Bij overgewicht: 20 – 30/35 en% Bij overgewicht: 35 en%
Verzadigd vet AI= zo laag mogelijk 10 en%
Enkelvoudig onverzadigd vet
Meervoudig onverzadigd vet AI= 3-12 en% 12 en%
Transvet AI= <1 en% 1 en%
Linolzuur AI= 2 en%
Alfalinoleenzuur AI= 1 en%
Visvetzuren AI= 0,45 gram per dag
Vitamine B1 AI= 1,1 mg per dag
Vitamine B6 AH= 1,5 mg per dag 25 mg per dag
Vitamine D AI= 10 µg per dag voor vrouwen van 4- 50 µg per dag
50 jaar en voor mannen van 4-70 jaar;
daarna 20 µg per dag
Calcium AI= 1,0 gram per dag 2,5 gram per dag
Kalium AI= 4,7 gram per dag 3700 mg/dag voor kalium uit
supplementen
Magnesium AI= 350 mg per dag voor mannen; 280 Volgens U.S. Food and Nutrition
mg per dag voor vrouwen Board: 350 mg per dag voor
magnesium uit supplementen
Volgens EU Scientific Committee for
Food: 250 mg per dag voor
magnesium uit supplementen
Natrium 2400 mg per dag
Natrium
Functies
Natrium is de meest voorkomende kation (= positieve ion, geladen vorm dus Na+) in extracellulaire
vloeistof en in die zin de regulator van het extracellulaire volume. Natrium is belangrijke in vele
lichaamsprocessen: de regulering van de zuur-base-balans, voortgeleiding van zenuwsignalen en
spiercontractie.
Metabolisme
Natrium wordt gemakkelijk geabsorbeerd door het darmkanaal en reist vrij door het bloed tot het de
nieren bereikt. De nieren filteren al het natrium uit het bloed. Hierna geven de nieren met grote
precisie de juiste hoeveelheid natrium dat het lichaam nodig heeft aan het bloed af.
Gewoonlijk is de hoeveelheid uitgescheiden natrium gelijk aan de ingenomen hoeveelheid op een dag.
Als het natriumgehalte in het bloed stijgt, geeft het lichaam een dorstsignaal af en stijgt ook het ADH
tot de ideale hoeveelheid natrium-water verhouding is hersteld. Daarna scheiden de nieren zowel het
overtollige water als het overtollige natrium uit.
Water is horig aan zout: Na+ bepaalt waar water gaat zitten, natrium is in staat om een vloeistof naar
zich toe te zuigen: het proces van osmose, dit proces is van belang bij het behouden van de
1
,vochtbalans.
Hypo-osmolaire oplossing: de cel zwelt door vochtopname; (weinig opgeloste deeltjes) er is heel
weinig natrium het vocht buiten de cel gaat naar binnen, omdat er binnenin de cel veel natrium
aanwezig is en dat zuigt het vocht dus naar binnen.
Hyper-osmolaire oplossing: de cel verschrompelt door vochtafgifte; de grote hoeveelheid natrium
buiten de cel, zuigt het vocht uit de cel.
Dit is van belang als je het hebt over de regulatie van de vochtbalans van het lichaam.
Vochtbalans
Als een cel in een hyper-osmolaire oplossing wordt geplaatst, je zou veel natrium in je bloed hebben
bijvoorbeeld: de cel krimpt dan door de hoge osmolariteit. Je dorstgevoel gaat omhoog; de cel geeft
aan dat er vocht nodig is om weer te kunnen zwellen en je ADH (antidiuretisch hormoon) gaat ook
omhoog. Dit zorgt er dus uiteindelijk voor dat je meer gaat drinken, dat je vocht vasthoudt
(vochtretentie in de nier) en dat de bloeddruk stijgt.
Als een cel in een hypo-osmolaire oplossing wordt geplaatst, je hebt bijvoorbeeld heel veel water
gedronken; je bloed verdunt als het ware en de cel zwelt op. Dan wordt er een signaal gegeven van
vooral niet meer drinken, meer gaan plassen en dan krijg je uiteindelijk dus het tegenovergestelde
effect. Deze effecten samen noemen we de osmoregulatie van de vochtbalans, die worden geregeld
door de osmoreceptoren in de hypothalamus; daarnaast hebben we ook de volumeregulatie en die
wordt geregeld door de baroreceptoren (drukreceptoren) in je hals, in je sinus caroticus (= in de
halsslagader). Als het bloedvolume zou dalen, daalt de rek op de receptoren waardoor je
dorstgevoel toeneemt en ook de ADH toeneemt. Dit zorgt ervoor dat je meer gaat drinken en
minder gaat plassen, waardoor je vaatbed weer gevuld wordt; de druk op de receptoren neemt
weer toe. Als de druk op de receptoren te veel toe neemt, doordat je te veel vocht hebt; moet je
vooral niet meer gaan drinken dus het dorstgevoel daalt, maar je zult wel meer gaan plassen.
De osmoregulatie is gevoeliger dan de volumeregulatie.
De hoeveelheid vocht in het lichaam daalt: je dorstgevoel stijgt en je wilt vooral niet meer gaan
plassen. De kraan in de nieren wordt dichtgeschroefd en dat wordt geregeld door het antidiuretisch
hormoon (ADH); je krijgt meer ADH want je gaat anti-plassen (je stopt met plassen).
Het vochtniveau in je lichaam neemt toe: je gaat minder ADH aanmaken, want je wilt het vocht
vooral kwijtraken door te plassen en er ontwikkelt zich in dit geval geen dorstgevoel, omdat je al
voldoende vocht in je lichaam hebt.
Regulatie natriumbalans door RAAS
Natrium is voor een groot deel van belang bij de osmoregulatie. Het krimpen en het uitzetten van de
receptoren heeft te maken met de osmolariteit van het bloed, dat voor een belangrijk deel wordt
bepaald door natrium. We kunnen zelf regelen hoeveel zout we binnenkrijgen (via de mond), maar niet
hoeveel we uitscheiden (via de transpiratie en ontlasting, evt. braken).
De nieren kunnen wel regelen hoeveel we uitscheiden en zijn dan ook het regulatiemechanisme van
natrium: RAAS (Renine Angiotensine Aldosteron Systeem).
Op het moment dat er een verminderde doorbloeding (lage bloeddruk) in het lichaam is, er is minder
vocht in het lichaam: de nieren gaan een stofje afgeven, dat heet renine. Renine reageert met een
ander stofje dat heet angiotensine, waardoor het gevormd wordt tot angiotensine I. In de longen
wordt een bepaald enzym aangemaakt, het ACE (angiotensineconverterend enzym), dat zorgt voor
de omzetting van angiotensine I (zwakke vasoconstrictor) naar angiotensine II (sterke
vasoconstrictor): dat stimuleert de adrenale cortex (de nierschors) tot aldosteron afgifte. Aldosteron
zet uiteindelijk het natrium-kaliumATPase in de nieren aan. Natrium-kaliumATPase reabsorbeert
natrium uit de urine in het bloed en dat zorgt ervoor dat kalium meer wordt uitgescheiden. Dus dat
Na+K+ATPase wisselt als het ware natrium en kalium uit. Natrium wordt teruggeabsorbeerd en als
natrium ergens naartoe gaat volgt water (proces van osmose) en dat leidt ertoe dat het bloedvolume
toeneemt, het urinevolume neemt dus af en daardoor neemt de bloeddruk toe en wordt de renine
uitscheiding gestopt.
Als de bloeddruk te hoog is, doorloop je dit proces maar dan tegenovergesteld om er zo voor te
zorgen dat de bloeddruk daalt.
Wisselwerking met andere voedingsstoffen
Natrium zorgt samen met chloor en kalium voor het regelen van de vochtbalans en de bloeddruk in het
lichaam. Samen met kalium zorgt natrium voor een goede zenuwgeleiding en spiercontractie.
2
, Natrium vs. Keukenzout
Natrium is niet hetzelfde als keukenzout, het zit er wel in. Keukenzout = natriumchloride (NaCl)
1 gram natriumchloride = 0,4 gram natrium; 1 gram natrium = 2,5 gram natriumchloride, de
factor is dus 2,5. Niet alle vormen van zout bevatten natriumchloride, er bestaat ook gejodeerd zout
(bijvoorbeeld kaliumjojide) en kaliumchloride waarbij een deel van het natrium is vervangen door
kalium.
Voedingsnormen
Er is geen AH/ADH of AI voor natrium.
AB: 2400 mg/dag (2.4 gram/dag); maximaal 6 gram keukenzout per dag.
Voedingsmiddelen
In het algemeen bevatten bewerkte producten meer natrium dan verse producten zoals groenten en
fruit. Ongeveer 75% van de natriuminname is afkomstig van natrium uit bewerkte producten, ongeveer
15% van zout dat is toegevoegd tijdens het bereiden en ongeveer 10% komt van nature voor in
producten. Omdat bewerkte producten ook natrium mogen bevatten zonder chloride (dus geen zout,
maar alleen natrium), smaken niet al deze producten ook echt zout. Daardoor wordt de hoeveelheid
natrium in dit soort producten vaak onderschat. Natrium wordt dus veel verwerkt in voedingsmiddelen,
zoals brood, worst, kaas, hartige snacks en kant-en-klaarproducten.
Te hoge natriuminname
Een hoge natriuminname wordt beschouwd als een van de belangrijkste factoren die
verantwoordelijk zijn voor een hoge bloeddruk. Een hoge bloeddruk verhoogt het risico op hart- en
vaatziekten en hiermee is een hoge natriuminname dus ook een factor in hart- en vaatziekten.
Zout, bestaande uit natrium en chloride heeft een groter effect op de bloeddruk dan alleen natrium of
alleen chloride, of in combinatie met andere ionen.
Een verhoging van de bloeddruk als gevolg van een (jarenlang) dieet met veel zout is progressief,
veroorzaakt schade aan de bloedvaten en deze schade is helaas niet meer terug te draaien.
Het verminderen van de inname van zout helpt de bloeddruk te verlagen (niet meer dan 1500 mg
natrium per dag).
Een hoge zoutinname is ook geassocieerd met een verhoogde calciumuitscheiding, maar de
invloed ervan op botverlies is wel minder duidelijk. De inname van kalium dient ter preventie voor de
verhoogde calciumuitscheiding, bij een hoge zoutinname.
Onmiddellijke symptomen van natriumvergiftiging zijn: oedeem en hoge bloeddruk. Langdurig een te
hoge natriuminname kan leiden tot hypertensie.
Personen die meer zout eten, eten vaak meer voedingsmiddelen (dus hogere energie-inname, hoger
risico op overgewicht), maar kiezen ook producten met een hoger zoutgehalte.
Tekort aan natrium
Een natriumdeficiëntie ontstaat eigenlijk niet, zelfs niet bij een inadequaat voedingspatroon.
Het lichaam heeft maar zo’n kleine hoeveelheid nodig en de voeding geeft hiervoor meer dan
voldoende. Bloednatrium kan verlagen door diarree, braken of overmatig zweten, dan moet natrium en
water worden bijgevuld om een tekort te voorkomen. Onder normale omstandigheden van zweten bij
fysieke activiteiten, kan natriumverlies gemakkelijk weer worden opgeheven door later op de dag
gewoon te eten. Bij (zwaar) intensieve activiteiten kunnen atleten zoveel natrium verliezen en zoveel
water drinken, waardoor hyponatriëmie (=te weinig natrium in het bloed) kan ontstaan. Symptomen
hiervan zijn: hoofdpijn, verwardheid, verdoofd gevoel, beroerte en zelfs coma. Hyponatriëmie ontstaat
door verlies van overmatige hoeveelheden natrium en niet door een inadequate natriuminname.
Zouttabletten worden niet aangeraden, omdat ze te veel zout bevatten en (zeker wanneer ze zonder
water worden ingenomen) voor uitdroging kunnen zorgen.
Een vermindering van de natriuminname verlaagt de bloeddruk en tevens de kans op hart- en
vaatziekten. Het effect hiervan is sterker bij mensen met een hoge bloeddruk dan bij mensen met een
normale bloeddruk.
Cliëntgroepen en voedingspatronen
Cliëntgroepen:
- Sporters (zwaar intensieve activiteiten) lopen dus mogelijk risico op tekort, door verlies van
natrium via transpiratie bij langdurige inspanning. Hierdoor ontstaan uitdrogingsverschijnselen.
3