Afasie na een CVA: Wat zegt die nou?
Bij patiënten die een CVA hebben doorgemaakt kan afasie optreden.
Taal is meestal gelokaliseerd in de lobus temporalis van de linkerhemisfeer, óók bij linkshandigen,
maar bij hen is er vaak meer herstel van de afasie. Er zijn vier typen afasie:
Patiënten met een globale afasie kunnen amper spreken, hooguit ‘ja, ja’, of ‘het is me wat’ of
iets onbegrijpelijks als ‘kojekojekoje’. Ze kunnen niet lezen of schrijven en het taalbegrip is
slecht. Wel herkennen ze soms nog een woord met een afbeelding of hun naam.
Bij een Wernicke-afasie vormt de patiënt lange zinnen die grammaticaal en inhoudelijk niet
kloppen zonder dat hij dit zelf doorheeft. Er zijn (flarden van) woorden die in klank lijken op
het bedoelde. Ook lezen en schrijven lukt niet. Hoe meer men praat tegen een patiënt met
Wernicke-afasie, hoe meer deze terugzegt en zich vervolgens niet begrepen voelt.
Patiënten met een Broca-afasie kunnen de juiste woorden niet vinden en spreken daarom
aarzelend. Hun taalbegrip is meestal goed en schrijven lukt wel, zij het met dezelfde
problemen als het spreken. Deze patiënten proberen de belangrijkste woorden uit een
verhaal te halen en daarmee de boodschap te interpreteren.
Bij een amnestische afasie kan de patiënt niet op sommige woorden komen, maar deze wel
omschrijven. Lezen en schrijven lukt goed.
Afasie is een taalstoornis en moet worden onderscheiden van dysartrie, een spraakstoornis waarbij
het begrip van spraak en taal nog wel aanwezig, maar de articulatie gestoord is. De lees- en
schrijffuncties zijn bij de patiënt met dysartrie niet aangedaan behalve door beïnvloeding van de
spieren bij een motorische verlamming.
Ook bij patiënten met een CVA in de rechter – dus de voor taal meestal niet-dominante – hemisfeer
kunnen taalproblemen optreden, die dan echter niet als afasie geduid worden. Deze worden
gekenmerkt door articulatiestoornissen (vaak broddelachtig), breedsprakigheid en van de hak op de
tak springen. Ook hebben deze patiënten moeite met de figuurlijke betekenis van taal, zoals in
spreekwoorden of vergelijkingen, die letterlijk worden opgevat. Daarmee verandert ook de
humorbeleving.
Conflicthantering en diversiteit
7.2
Een conflict is in principe een meningsverschil. Het kan ontstaan overal waar uiteenlopende
behoeften, meningen en doelen en de daarmee samenhangende waarden en normen samenkomen.
Een conflict kan tot grote spanning leiden en uiteindelijk ook tot agressie, maar dat hoeft niet.
Meestal verloopt een conflict minder spectaculair.
7.3
Soorten conflicten (aan de hand van de achtergrond of de bron van het conflict):
• Zakelijk conflict→ wanneer de bron zakelijk van aard is.
• Belangentegenstelling→ wanneer mensen tegenstrijdige doelen nastreven, spreken we van
een belangentegenstelling. De verschillende partijen proberen hun wensen zoveel mogelijk
te verwezenlijken. (Bijvoorbeeld: twee kinderen maken ruzie omdat ze naar verschillende
programma’s willen kijken).
• Sociaal-emotioneel conflict→ de persoonlijke gevoelens van de partijen zijn in het geding. De
betrokkenen voelen zich als persoon afgewezen of verwerpen de ander als persoon.
, (Bijvoorbeeld: een man heeft een fikse ruzie met zijn keuringsarts. Hij vindt dat hij niet
serieus genomen wordt met zijn klachten en ontsteekt in woede. De arts denkt dat de man
een spel met hem speelt en klachten simuleert om niet aan het werk te hoeven.)
7.4
Conflicten kunnen ook ingedeeld worden naar intensiteit. De laagste vorm is als iemand zeurt omdat
hij zijn zin niet krijgt, zoals een patiënt die in de wachtkamer vraagt of het nog lang duurt voordat de
dokter hem kan zien. Agressie, zoals schelden, is een hogere vorm van een conflict. Een heel hoge
vorm van conflict is wanneer er daadwerkelijk geweld wordt gebruikt, wat kan variëren van duwen
en trekken tot slaan of wapengebruik. De allerhoogste vorm van conflicten is een oorlog tussen twee
of meer landen.
7.5
Alle conflicten worden veroorzaakt door meningsverschillen maar niet alle meningsverschillen
ontaarden in een conflict.
7.6
Conflicten worden bij de meeste mensen gezien als een onprettige situatie. Dit komt doordat het
lichaam conflictsignalen ziet als een bedreigende situatie. Op het waarnemen van een bedreigende
situatie reageren mensen met het activeren van het lichaam. Het lichaam wordt klaargemaakt om te
vechten of te vluchten. Dit uit zich in lichamelijke verschijnselen zoals verhoging van de hartslag,
zweten, verhoging van de bloeddruk, snelle en oppervlakkige ademhaling en een grotere alertheid.
Deze verschijnselen worden stressreacties genoemd.
7.7
Oorzaken:
- Zelfbeeld.
Sociale schema’s. Mensen creëren een beeld van zichzelf en hun omgeving, om daarmee
adequaat te kunnen omgaan. Dit beeld is onderverdeeld in schema’s. Zo kennen we sociale
schema’s waarin we opgeslagen hebben wat we kunnen verwachten van een andere persoon
die we in dat specifieke schema hebben geplaatst.
- Psychologische effecten.
- Territorium.
7.8
Systematische observatie van kleine groepen heeft bij de moderne mens laten zien dat de volgende
technieken van conflictregeling wijdverbreid zijn:
- Vermijden. De communicatie tussen de groepsleden blijft zo oppervlakkig dat ernstige
conflicten kunnen worden vermeden.
- Buitensluiten. Wie andere opvattingen verkondigt, heeft geen plaats in de groep.
Groepsleden die dwarsliggen worden buitengesloten.
- Onderdrukken. De meerderheid heeft het voor het zeggen en zet altijd haar belangen door,
zo nodig tegen de belangen van de minderheid in. Ook het algemeen aanvaarde stemmen
(met meerderheidsbesluiten) verhindert niet dat er spanningen en vijandigheid ontstaan.
- Bondgenootschappen sluiten. Ten einde bepaalde belangen door te zetten, worden
bondgenootschappen gesloten. Uiteindelijk komt de oppositie in de minderheid en wordt
weggestemd.