CS→ Van idee tot app
H3
Een flowdiagram geeft met rechthoeken en pijlen schematische weer hoe elk scherm gekoppeld is
met elk van de andere schermen.
Figuur 1 deze basisvormen kunnen worden gebruikt om een flowdiagram te tekenen
CS→ Interactieve vaardigheden in de zorg
11.4
Om een gesprek op gang te brengen en diepgang te kunnen geven, kun je het beste gebruik maken
van hoe-vragen (open vragen). Deze vragen laten de ander vrij om helemaal zijn eigen antwoord te
geven.
Bij gesloten vragen wordt iemand gedwongen om een keuze te maken tussen ja of nee.
Open vragen→ denk aan wie, wat, waar en wanneer. Waarom beter niet, omdat je daarmee de
ander min of meer ter verantwoording roept.
11.5
E-ex-vragen→ vragen die bedoeld zijn om te exploreren wat er buiten het onderwerp dat aan de
orde is nog allemaal zou kunnen spelen.
E-in-vragen→ sluiten direct aan op het actuele gespreksthema en kunnen het gesprek daarover meer
diepgang geven.
Bij indirecte vragen laat je zien dat je vragen voorkomen uit je eigen denkproces.
11.6
In het verhaal van mensen kun je altijd de volgende elementen onderscheiden:
- Gebeurtenis.
- Gedachten.
- Gevoelens.
- Gedrag.
- Gevolgen.
11.8
Hypothetische vragen→ hierin veronderstel je iets, en vraag je de patiënt dit eens te overwegen of te
onderzoeken.
CS→ Psychologische gespreksvoering
6.1
Luistervaardigheden:
, - Niet-selectieve luistervaardigheden, aandachtgevend gedrag (hebben niet veel/geen invloed
op de inhoud):
o Non-verbaal gedrag.
o Verbaal volgen.
o Gebruik van stiltes.
- Selectieve luistervaardigheden.
o Vragen stellen.
o Parafrasen van inhoud.
o Reflecteren van gevoel.
o Concretiseren.
o Samenvatten.
- Regulerende vaardigheden.
o Openen van het gesprek.
o Begincontract sluiten.
o Terugkoppelen naar begindoelen.
o Situatie verduidelijken.
o Hardop denken.
o Afsluiten van het gesprek.
6.2
Begin van het gesprek→ duidelijkheid geven over de situatie.
6.3
Watzlawick, Beavin en Jackson maken onderscheid tussen inhouds- en het betrekkingsaspect van
communicatie.
Inhoudsaspect→ betreft de feitelijke informatie die wordt overgebracht.
Betrekkingsaspect→ verwijst naar de verhouding tussen de communicerende partijen, zoals deze
worden uitgedrukt.
Het betrekkingsaspect wordt duidelijk uit de non-verbale signalen en de intonatie.
Met stiltes brengen zowel de hulpverlener als cliënt er iets mee tot uitdrukking en beleven er iets
aan.
Verschillende soorten stiltes:
- De stilte waarin de cliënt meent uitgepraat te zijn en van de hulpverlener een reactie
verwacht, maar deze laatste verwacht meer van de cliënt.
- De stilte die ontstaat omdat de cliënt is uitgepraat en de hulpverlener (ook) niet goed weet
hoe het verder moet met het gesprek.
- De stilte die ontstaat als het verhaal van de cliënt stokt.
6.4
Selectiviteit heeft betrekking op het feit dat de hulpverlener in zijn interventies bepaalde aspecten
van het verhaal van de cliënt met meer aandacht beloont dan andere. Ook heeft het betrekking op
de keuze van de thema’s die besproken worden.
Momenten voor open vragen:
- Bij het begin van het gesprek.
- Tijdens het gesprek.
Nadelen gesloten vragen:
- Cliënt beperkt in zijn uitingen.
- Dergelijke vragen zijn vaak suggestief.
, - Het effect dat het stellen ervan op het verloop van het gesprek heeft. Het gevolg is namelijk
dat de cliënt zich minder verantwoordelijk voelt voor wat er besproken wordt.
Parafraseren→ het kort in eigen woorden weergeven van het belangrijkste dat wat de cliënt gezegd
heeft.
Doelen parafraseren:
- De cliënt merkt dat er naar hem geluisterd wordt en kan verfrissend en stimulerend zijn voor
hem om wat hij vertelt in duidelijke bewoordingen terug te horen.
- De hulpverlener probeert datgene wat de cliënt verteld heeft nog scherper, nog preciezer
weer te geven, zodat de cliént zelf ook een helderder beeld krijgt van de factoren die een rol
spelen.
- De hulpverlener gaat na of hij de cliënt goed begrepen heeft.
Functies van reflecteren van gevoel:
- De cliënt merkt dat zijn gevoelens, van welke aard dan ook, geaccepteerd worden en
aandacht krijgen.
- De acceptatie die ertoe bijdraagt dat de cliënt zich veilig voelt en gevoelens die hij zelf maar
moeilijk aanvaard, gemakkelijker durft te ervaren en te uiten.
- Controlefunctie: de hulpverlener gaat na of hij de gevoelens van de cliënt juist heeft
getaxeerd.
Concretiseren→ de cliënt zo nauwkeurig en precies mogelijk over de problemen laten vertellen.
Doel van het samenvatten is structuur aan brengen in wat de cliënt gezegd heeft, door de
hoofdpunten uit zijn verhaal te ordenen.
Functies samenvatten:
- Hulpverlener kan nagaan of hij de cliënt begrepen heeft.
- Ordening van het gesprek door een overzicht van hoofdzaken.
- Stimulering van de cliënt tot verdere exploratie van zijn gedachten en gevoelens.
6.5
Het doel van regulerende vaardigheden is orde en de duidelijkheid in het gesprek te bevorderen.
De vaardigheid ‘situatie verduidelijken’ is complexer dan de luistervaardigheden. Bij de toepassing
ervan is er namelijk sprake van een gesprek over het gesprek. Men noemt dat ook wel metagesprek.
In het metagesprek neemt met enige afstand van het onmiddellijke gesprek.
4 functies van hardop denken:
- Samenwerking soepeler laten verlopen.
- Werkt angstreducerend.
- Voorbeeldwerking.
- Helpt pijnlijke situaties in het gesprek te voorkomen.
Aan het eind van het gesprek is het nuttig om de cliënt te vragen een samenvatting te geven.
Een andere mogelijkheid om een gesprek af te sluiten is→ een metagesprek voeren over hoe de
cliënt het gesprek ervaren heeft.
CS→ ACVA, Schrijven en presenteren op academisch niveau
Inleiding
Model voor presentatie:
, Planfase:
- Wat→ centrale vraag.
- Waarom→ doel.
- Voor wie→ publiek.
- Hoe (resultaat)→ deelvragen formuleren/plan van aanpak.
Ontwerpfase→ ideeën en antwoorden deelvragen op papier zetten, structureren, hulpmiddelen
bepalen. Resultaat→ oefenversie.
Oefenfase→ opbouw verbeteren, formulering verduidelijken, hulpmiddelen uitproberen, aandacht
voor lichaamstaal en eventuele spreekangst. Resultaat→ definitieve versie.
Uitvoering→ contact met publiek, contact met jezelf. Resultaat→ presentatie.
5.1
Drie hoofddoelen van een presentatie:
- Informeren→ het publiek op de hoogte brengen.
- Overtuigen→ beïnvloeden van de mening of het gedrag van het publiek, door bijvoorbeeld
een advies te geven, iets voor te schrijven of te waarschuwen.
- Amuseren→ het publiek vooral een leuke tijd geven.
6.1
Basisopbouw van een presentatie→ inleiding, kern en slot (ook wel kop (10%), romp (80%) en staart
(10%) genoemd).
Tell, tell and tell-principe→ dit houdt in dat je in de inleiding vertelt wat je gaat vertellen, zodat het
publiek een kader krijgt, een kapstok om alle informatie die gaat komen aan op te kunnen hangen..
In het slot vertel je wat je hebt vertelt→ een samenvatting.
Anekdote→ kort verhaaltje dat gebruikt kan worden om een punt te helpen onderstrepen. Het is ook
een kort verhaaltje met een verrassende of diepere kern.
Metafoor→ figuurlijke uitdrukking of beeld waarin je het onderwerp van je presentatie kunt vangen
in een beeld.
Manieren om te beginnen:
- Shockerende stelling.
- Humor.
- Metafoor.
- Anekdote.
- Retorische vraag.
- Citaat.
- Actualiteit→ nieuws.
CS→ Elementaire sociale vaardigheden
Inleiding
Observeren 1 waarnemen en interpreteren
2 non-verbaal gedrag
3 luisteren
4 samenvatten
Exploreren 5 vragen stellen
6 concretiseren
7 mening vragen/geven