STAHL, S.M. (2013). STAHL’S ESSENTIAL PSYCHOPHARMACOLOGY. CAMBRIDGE: CAMBRIDGE
UNIVERSITY PRESS
HOOFDSTUK 6 STEMMINGSSTOORNISSEN
In dit hoofdstuk worden stoornissen behandeld die gekarakteriseerd worden door een afwijkende stemming:
depressie, manie of beiden. Stemmingsstoornissen hangen waarschijnlijk samen met ontregeling van drie
monoamine neurotransmiters, namelijk DA, NE en 5HT.
Beschrijving van stemmingsstoornissen
Stemmingsstoornissen worden ook wel afecceve stoornissen genoemd, omdat afect de externe weergave is
van stemming, terwijl een emoce alleen intern gevoeld wordt. Stemming kan variëren van manisch, tot
hypomaan, tot normofoor (normaal) en van dysthymie tot depressie. Een bipolaire stoornis wordt gekenmerkt
door vier verschillende episodes: manisch, depressief, hypomaan en gemengd (volledig manisch en volledig
depressief tegelijkercjd). Manie en normale stemming of depressie kunnen zich soms heel snel afwisselen, dit
heet rapid cycling (snelle cycli). Je spreekt van een cyclothyme stoornis wanneer iemand wisselt tussen
hypomane en dysthyme periodes. Een ernscge depressie is de meest voorkomende stoornis en wordt
gekarakteriseerd door het voorkomen van ten minste één zware depressieve episode. Dysthymia is een minder
zware vorm van depressie, maar duurt lang (meer dan twee jaar) en is vaak stabiel. Een dubbele depressie
bestaat uit een dysthyme periode waarin een depressieve periode voorkomt.
Wat betref de bipolaire stoornis zijn er een aantal types [passieve kennis]
Bipolaire stoornis ¼ bestaat uit depressieve episodes die goed reageren op ancdepressiva maar snel
weer terugvallen.
Bipolaire stoornis ½ wordt ook wel schizobipolair genoemd en bestaat uit de posiceve symptomen van
een psychose met manische, hypomane of depressieve episodes.
Bipolaire stoornis I wordt gedefnieerd als ten minste één manische of gemengde episode.
Bipolaire stoornis I½ bestaat uit hypomanische episodes zonder depressieve episodes.
Bipolaire stoornis II is gedefnieerd als één of meer depressieve episodes en ten minste één hypomane
episode.
1
, Bipolaire stoornis II½ bestaat uit afwisselingen tussen hyperthyme (tussen hypomaan en normofoor
in) en dysthyme staten waarop een zware depressie volgt.
Bipolaire stoornis III bestaat uit depressieve episodes die gevolgd worden door drugsgeïnduceerde
hypomanische of manische periodes.
Bipolaire stoornis III ½ is een stoornis met drugsgebruik waarbij de drugs periodes van hypomanie
veroorzaakt.
Bipolaire stoornis IV bestaat uit een stabiele hyperthymische episodes met depressieve periodes.
Bipolaire stoornis V bestaat uit gemengde epidsoden die niet de volle criteria voor manie hebben.
Bipolaire stoornis VI is een stoornis die bestaat uit wisselend depressieve episodes die gekenmerkt
worden door beperkte aandacht, prikkelbaarheid, verminderde mocvace en slechte slaap.
Het is belangrijk om een bipolaire depressieve episode van een unipolaire depressieve episode te kunnen
onderscheiden. Bipolaire episodes reageren namelijk niet goed op ancdepressiva en beter op
stemmingsstabilisatoren. Een bipolaire depressieve stoornis verschilt van een unipolaire depressieve stoornis in
het feit dat er vaker sprake is van veel slapen, veel eten, angst, motorische stoornissen, labiliteit, psychocsche
symptomen en suïcidale gedachten. Daarnaast begint de stoornis vaak eerder in het leven, heef het een
abrupt begin en zijn er gedragsproblemen zoals veel veranderingen van banen en relaceproblemen.
Neurotransmiters en circuits in stemmingsstoornissen [Actee!]
Norepinefrine
Norepinefrine (NE) of noradrenaline wordt gemaakt van het aminozuur tyrosine, dat in de neuronterminal
komt door middel van een tyrosine transporter. In de neuron wordt het door drie enzymen verwerkt: eerst
wordt er DOPA van gemaakt, daar wordt door het enzym DOPA decarboxylase (DDC) DA van gemaakt en dat
wordt dan door het derde enzym, DA β-hydroxylase (DBH), omgezet in NE. De NE wordt dan in vesikels verpakt
via VMAT2 en opgeslagen voor neurotransmissie.
Na neurotransmissie kan de accviteit van NE beëindigd worden door twee enzymen die NE
verniecgen: MAO (A of B) dat zich zowel presynapcsch als elders bevindt en COMT dat vooral extracellulair
aanwezig is. NE kan ook worden heropgenomen door de NE-heropnamepomp NET. Naast deze transporter zijn
er nog vele andere receptoren voor NE, die geclassifceerd zijn als α1A, α1B en α1C plus α2A, α2B en α2C en
β1, β2 en β3. α2-receptoren kunnen presynapcsch en postsynapcsch zijn, de overige (α1 en β) receptoren
2
, kunnen alleen postsynapcsch zijn. Presynapcsche α2 receptoren reguleren NE-afgife en zijn dus
autoreceptoren; zij stoppen afgife van NE als ze bezet zijn.
3