autonomie
6.1 Competentiemodel
6.1.1 Ontwikkelingstaken
Elke leeftijdsfase kent zijn eigen ontwikkelingsdoel dat een kind in die fase moet
bereiken om verder te komen in de ontwikkeling. De ontwikkelingspsycholoog Erik
Erikson noemt per leeftijdsfase een taak:
Gemiddelde leeftijd Eriksons stadia van Positieve en negatieve
psychosociale ontwikkeling resultaten van Eriksons
stadia
Geboorte tot 12 Vertrouwen vs. wantrouwen Positief: vertrouwen dankzij
maanden steun van de omgeving.
Negatief: angst en zorgen
over anderen.
12 maanden tot 3 Autonomie vs. schaamte en Positief: onafhankelijkheid
jaar twijfel als onderzoek wordt
gestimuleerd.
Negatief: twijfels over
zichzelf, gebrek aan
onafhankelijkheid.
3 tot 6 jaar Initiatief vs. schuld Positief: ontdekken van
manieren om dingen in gang
te zetten.
Negatief: schuldgevoel over
daden en gedachten.
6 jaar tot Vlijt vs. minderwaardigheid Positief: groeiend besef van
adolescentie competenties.
Negatief: gevoelens van
minderwaardigheid, geen
vertrouwen in eigen kunnen.
Adolescentie tot Identiteit vs. Positief: bewustzijn van de
volwassenheid identiteitsverwarring eigen uniekheid, weten welke
rol te spelen.
Negatief: onvermogen om de
juiste rollen in het leven te
identificeren.
, De ontwikkeling moet ook worden onderhouden en bijgeschaafd. De
ontwikkelingstaken van 0 tot 12 jaar zijn:
Ontwikkelingstaak Benodigde vaardigheden
Vorming gehechtheidsrelaties Opvoeder opzoeken als veilige basis,
om hulp vragen, gepaste afstand bij
vreemden, zich laten troosten.
Fysiologische regulatie Slikken, goed op prikkels reageren,
opbouw slaap- en waakritme.
Motorische ontwikkeling Fles vasthouden, rollen, kruipen, lopen,
fijne motoriek.
Gevoelens herkennen en reguleren Gevoel herkennen, benoemen, uiten,
weten wanneer je gevoel mag en kunt
uiten en hoe.
Vorming kinderlijke autonomie Initiatieven nemen, exploreren, contact
leggen met andere kinderen, gepast nee
zeggen, omgaan met ouderlijk gedrag.
Symbolische ontwikkeling Woorden leren, napraten, stimulerend
speelgoed pakken.
Verwerking sociale informatie Nieuwsgierig zijn, vragen stellen,
begrijpen of iemand iets goed of kwaad
meent.
Relaties met leeftijdsgenootjes Spelletjes doen met anderen, simpele
conflicten aangaan en oplossen, kunnen
geven en nemen.
Functioneren op school Luisteren, een tijdje stilzitten, gevoelig
voor instructies en aanwijzingen.
6.1.2 Balans tussen ontwikkelingstaken en vaardigheden
Jongeren zijn competent als er een balans is tussen ontwikkelingstaken en de
benodigde vaardigheden.
Er zijn verschillende redenen waardoor de balans tussen ontwikkelingstaken
en benodigde vaardigheden verstoord kunnen zijn:
- Als de taken te zwaar zijn, schiet de weegschaal door.
- Als een kind onvoldoende vaardigheden heeft om een taak tot een goed
einde te brengen, raakt de weegschaal uit balans.
- Door stress of een beperking kan de weegschaal in onbalans zijn of
komen.