Ruimte begrippen:..................................................................................................................................3
De Grieken 800 – 50 voor Chr...............................................................................................................13
De Romeinen 300 v. Chr. – 476 na Chr..................................................................................................17
De Romeinen 300 v.Chr. – 346 n.Chr....................................................................................................18
..............................................................................................................................................................20
De middeleeuwen 300 – 1400/1500.....................................................................................................20
Renaissance/wedergeboorte van de Oudheid 1400 - 1600..................................................................22
Hernieuwde belangstelling voor de oude klassieken en hun kunst. Dit begon in Italië. De mens staat
centraal, humanisme, maar ook de natuur om hun heen. Ook werd er erg gekeken naar de
verhoudingen en harmonie: proportieleer. Er is een globale tijdverdeling voor de renaissance:........22
Vroeg-renaissance 1400 – 1500 Florence.............................................................................................22
Ruste en evenwicht symmetrisch harmonie. Het beste van je leven maken (Carpe Diem). Bezit
verwerven, geniet van het leven. Actief deelnemen aan de maatschappij. Optimistisch mensbeeld.
Kunst met humanistische thema’s; tolerantie, vrijheid van gedachten, vrede. Zelf ontwikkeling
individu m.b.v. onderwijs. Kunst = voldeed aan wiskundige wetten van lineair perspectief................24
Vitrivius mannetje, gemaakt door Leonardo da Vinvi. cirkel: oneindige worm (perfectie) vierkant:
seizoenen (4), windrichtingen..............................................................................................................24
Architectuur (Palazzo): horizontalen benadrukken massief en vrij gesloten muur functie van drager
dak en gewelf flauw oplopende daken ondoorzichtbaar door kroonlijst logica en rede aandacht voor
verhoudingen, hoogte, lengte, breedte Toepassing Gulden Snede (afgeleid van Fibonacci reeks,
ontleed aan structuur en groei planten. Rondboog (ramen) ‘romeinen’ pilasters (pilaren tussen de
ramen)..................................................................................................................................................25
..............................................................................................................................................................25
5 havo stof............................................................................................................................................25
0
,Licht begrippen:
Eigenschaduw
Dit is de schaduw die op het voorwerp of persoon zelf
aanwezig is, bijvoorbeeld: de zon schijnt op een kant van
de paal, dan is die kant licht en de andere kant donker.
Die donkere is de eigenschaduw van
de paal.
Slagschaduw
De schaduw die een voorwerp of persoon ‘werpt’
(maakt) op een ondergrond os achtergrond. Dit kan
een ander voorwerp, persoon of de grond zijn.
Zijlicht
Het licht komt van rechts of links de
afbeelding in, hierdoor ontstaat er
aan de andere kant schaduw op de voorwerpen in de
afbeelding.
Clair-obscur
Sterk contrast tussen licht en donker.
Het felle licht tegen een donkere
achtergrond zorgt voor een dramatisch effect. (Het meisje
met de parel).
1
,Weerspiegeling
Een gedeelte van de voorstelling wordt weerspiegeld in water of een glad
oppervlak.
Gebroken schaduw
De slagschaduw is gebroken. Een gedeelte van de
slagschaduw loopt bijvoorbeeld op de grond, terwijl
een ander gedeelte van de schaduw doorloopt op
de muur.
Gebundeld licht
Een sterke concentratie van licht gericht op een kleine
oppervlakte.
Verspreid licht/diffuus
(Lichtbron niet duidelijk) Er zijn geen schaduwen te
zien, omdat het licht van alle kanten komt (vaak bij
bewolking).
Meelicht
Het licht gaat met de kijker mee de afbeelding in.
Hierdoor ontstaat er slagschaduwen achter de
voorwerpen in de afbeeldingen.
Tegenlicht
Het licht schijnt je als kijker in de ogen. Het gevolg is
vaak dat de voorwerpen te zien zijn als silhouet, een
2
, donkere vorm tegen het licht in.
Strijklicht
De schaduw is lang, het licht valt laag over de
grond/aarde.
Ruimte begrippen:
Lijnperspectief
Met hulplijnen (1-puntperspectief)
Met hulplijnen (2-puntperspectief)
Vluchtpunten (= verdwijnpunt).
Trompe l’oeil / Illusionisme
Ook wel: vergissing van het oog.
Overlapping
Object staat voor een ander object.
Afsnijding
Gedeelte van voorstelling afgesneden door kader effect: lijkt
door te lopen.
3