,Inhoud
Primitivisme en modernisme ..................................................................................................... 3
Economie Egypte ........................................................................................................................ 4
Economie Griekenland 10e tot 5e eeuw v.Chr. ........................................................................... 7
Economie Griekenland 5e en 4e eeuw v.Chr. ............................................................................ 11
Economie 4e eeuw v.Chr. – 1e eeuw n.Chr. .............................................................................. 14
Economie 1e eeuw n.Chr. – 6e eeuw n.Chr. ............................................................................. 20
Indelingscriteria Romeinse bevolking ...................................................................................... 25
, Primitivisme en modernisme
Primitivisme: nadruk op antiek (agrarische) economie. Dus geen marktgerichte economie. Er is
sprake van een consumer city (Rome).
Modernisme: moderne aspecten zijn terug te vinden. Er is zelfs op bepaalde hoogte
marktmechanisme (vraag en aanbod). Er is sprake van een producer city.
Welke posities neemt de schrijver in?
De schrijver zit ertussenin, hij draagt verschillende argumenten aan zoals (blz. 41):
Elementaire begrippen uit de moderne economie (afschrijving, winstmaximalisatie)
ontbreken.
De agrarische sector kende wel degelijk voorbeelden van marktgerichtheid.
De moderne notie van industrie en handel als motoren voor economische groei ontbreekt,
het idee van economische groei zelf (macro-economische-gedachte) is afwezig; wat een
acquisitive mentality is genoemd, prevaleert tegenover een productive mentality.
, Economie Egypte
Gedurende de hele Oudheid is de basis van de economie hoofdzakelijk agrarisch. Akkerbouw en
veeteelt zijn de voornaamste middelen van bestaan. Grondbezit is de voornaamste vorm van
rijkdom. Ook handelaren investeren hun winst graag in grond. 97% van de Egyptenaren leeft op 2½%
van het grondgebied.
Intertropische convergentiezone:
De intertropische convergentiezone (ITCZ) is de zone met stijgende luchtbewegingen in de buurt van
de evenaar. De ITCZ verplaatst zich gedurende het jaar onder invloed van de zonnestand. De ligging
ervan ijlt ongeveer drie maanden na op de hoogste stand van de zon. De lucht is hier het warmst
door opwarming van de zon. De zone is zeer onstabiel, de ene keer erg nat en dan weer erg droog.
Deze warmte resulteert in stijgende, vochtige lucht, lage luchtdruk, buien en krachtige
onweerswolken.
Rond 21 maart staat de zon direct boven de evenaar waardoor er meer verdamping plaatsvindt,
hierdoor ontstaan dan meer wolken. In juni en juli valt de regen in de bergen van Ethiopië door de
komst van de koude Z-O wind, hierdoor overstroomt de Nijl.
Perioden: Wat gebeurt er?
Tussen juni en september overstroomt de Nijl en loopt het land
onderwater, door het irrigatiesysteem kan men langer over het water
Zwarte periode
beschikken, tijdens deze periode zakt het slib en wordt de grond
vruchtbaar.
Tijdens deze periode wordt het land omgeploegd en wordt er
gezaaid, vervolgens moeten de zaden bedekt worden met aarde om
Groene periode
ze te beschermen tegen de zon en vogels.
Tijdens deze periode wordt er geoogst.
Voorbeeld: graan wordt onder de aren afgesneden.
Dorsen, de afgesneden aren worden vertrapt om de zaden te
verkrijgen.
Gele periode Wannen, de zaden worden in de lucht gegooid zodat de resten
worden meegenomen door de wind en de bruikbare zaden op de
grond vallen.
Hierna wordt het opgeslagen in silo’s. De oogst vond plaats van mei
tot juni, dus vlak voor de nieuwe overstroming.
,Met behulp van de nilometer kon met de hoogte van de overstroming berekenen en dus de te
verwachten opbrengsten van de oogst. De nilometer is een muur die grenst aan de Nijl met poortjes
erin die leiden tot een trapconstructie (zie afbeelding).
Ook al is de economie agrarisch, de handel is onmisbaar. Egypte en Mesopotamië missen namelijk
belangrijke grondstoffen als timmerhout, koper en tin. Handel over land is duur en riskant:
slechte wegen
traag vervoer
roofovervallen
De te verhandelen producten moeten daarom licht zijn, niet bederfelijk en kostbaar. Denk aan
wierook, mirre, zilver etc.
Vervoer van grote hoeveelheden (zoals graan) kan alleen zinvol per schip gebeuren. Over land is een
afstand van meer dan 40 km niet overbrugbaar zonder te hoge kosten wegens traagheid van het
vervoer en het voederen van trek- en lastdieren.
Tempel en paleis zijn de grootste
opdrachtgevers en “geldschieters”.
Vanaf Saïtische tijdvak (ca. 658 v.Chr.)
dringen vreemde Griekse valuta Egypte
binnen door komst Griekse huurlingen in
leger Egypte en Griekse handelsnederzetting
in Naucratis.
Om in Egypte echt muntgeld te verkrijgen,
moet men de Perzische verovering
afwachten (525 v.Chr.).
Betaalmiddelen zijn graan, zilver, goud, tin en
koper. Hiervoor bestaan vaste
gewichtseenheden. Naast betaalmiddel zijn
het ook rekeneenheden ter aanduiding van
de waarde van goederen.
In Egypte wordt het koper steeds meer
betaalmiddel, en in Mesopotamië zilver. De
stap naar gemunt geld is dan niet meer zo
groot.
,In een grotendeels geldloze maatschappij spelen land en voedselrantsoenen een grote rol als
beloning:
Hoge ambtenaren krijgen vaak uitgestrekte landerijen voor hun levensonderhoud;
Ook soldaten worden op deze wijze betaald. Als de soldaat op campagne gaat, kan hij de
grond zolang verpachten (Assyrië, Perzië, Seleucidische Rijk, alsook in het faraonisch en
Ptolemaeïsch Egypte);
Veel land is ook in handen van tempels. De goden moeten immers via offergaven gunstig
worden gestemd. In het Nieuwe Rijk is ongeveer ⅓ deel van al het bebouwbare land,
tempelland (en vrijgesteld van belastingen).
Daarnaast is er ook nog particulier land.
Er is in Egypte dan ook sprake van een distributie-economie:
, Economie Griekenland 10e tot 5e eeuw v.Chr.
Archeologisch onderzoek toont aan dat er in de 8ste eeuw v.Chr. sprake is van een bevolkingsexplosie
in Griekenland (én Italië) ten gevolge van toegankelijkheid van meer en nieuw voedsel. Er moeten
dus meer monden worden gevoed. De methoden van de landbouw waren vanouds primitief en
ondergingen in deze periode ook geen dramatische veranderingen. Dit betekende dat uitbreiding van
de productie grotendeels alleen kon geschieden door het voor landbouw bestemde areaal te
vergroten: vandaar de groei van nederzettingen zoals in grote delen van Attika rondom het centrum
Athene, en vandaar ook de migratie van Grieken naar verschillende nieuwe poleis buiten Griekenland
in de Archaïsche tijd.
Er ontstaan veranderingen in de agrarische sector:
Veeteelt wordt minder belangrijk want daar is te veel grond voor nodig. Daarom volgt er
ontginning van nieuwe landbouwgrond door de omzetting van weidegrond in akkerland
(marginalisering veeteelt).
Verbouwen van een grotere variëteit aan gewassen: olijven en druiven.
Sommige Grieken kiezen voor piraterij en handel
Kolonisatie
Motieven voor de kolonisatie:
o Landhonger, bevolkingsgroei van na 800 v.Chr. En oplossing voor interne conflicten
als Concentratie van steeds meer land in handen van steeds minder mensen.
Langdurige droogte en hongersnood (gebrek aan vruchtbare grond).
Men sticht agrarische kolonies, (apoikiai) om bevolkingsoverschot te lozen. Apoikai
zijn politiek zelfstandig (alleen kolonisten ontvangen burgerrecht van de nieuwe
nederzetting en verliezen het burgerrecht van de moederstad). Ze behoud wel een
morele en religieuze band met de moederstad door gemeenschappelijke cultus, taal,
zeden, politieke organisatie en sociale verbonden.
o Handelsmotieven, bloei ambacht en uitbreiding zeehandel. Handelsgeest,
handelscontacten en verbreiding handelsnetwerken leid tot kolonisatie.
Behoefte aan grondstoffen en afzetgebieden voor opkomende handel en nijverheid
en strategische belangen.
Men sticht handelskolonies (emporion, handelspost).
o Politieke onrust, burgertwisten en spanningen (klassenstrijd). Binnen elite is
voortdurend sprake van wedijver. Elke edelman wil laten zien dat hij de beste is.
Emigratie biedt mogelijkheid verliezende adelsfacties te lozen.
Druk van nieuwe migrerende volken (bijv. Doriërs) willen stadstaten aan zich
onderwerpen, waardoor mensen vluchten wat leidt tot kolonisatie.
o Groei geografische kennis, verbetering scheepvaarttechnieken, zucht naar
avontuur…
We onderscheiden 3 grote kolonisatiegolven:
Ca. Doriërs vallen vanuit het noorden Griekenland binnen. Aantal
1200 v.Chr. Griekse stammen migreren naar Klein-Azië.
Ca. Grote kolonisatie: Griekse steden stichten in “buitenland” nieuwe
800 – 550 v.Chr. steden (Zuid-Italië, Sicilië, Zwarte Zee).
, Ca. Alexander de Grote streeft naar een universele staatscultuur.
330 v.Chr. Mislukt omdat hij jong sterft.
Landbouw is niet echt arbeidsintensief (oogsten: familie, buren en inhuren arbeiders). Inzet van
slaven is dan (nog) niet winstgevend! Naast de eigen agrarische opbrengsten was oorlogsbuit een
belangrijke bron van inkomsten ook tussen de verschillende Griekse poleis.
Boeren wonen meestal bij elkaar in dorpen of steden (en niet op hoeven geïsoleerde akkers).
Bewoners van de stad leven van hun land buiten de stad. In Griekenland gebruikte men voornamelijk
een tweeslagstelsel, omdat dit meer opbrengt.
De Sociale mobiliteit:
De gemiddelde boer in Griekenland bewerkt altijd verscheidene stukjes land, soms op niet geringe
afstand van elkaar gelegen. Een rijk man bezit eenvoudig méér van die stukjes, al bewerkt hij deze
natuurlijk niet zelf.
Rijk worden of verarmen is vaak het gevolg van een samenloop van erfenissen en/of huwelijken of
van versnippering van het land bij te veel erfgenamen.
Dit zorgt op den duur voor problemen. De Grieken kennen geen eerstgeboorterecht of
primogenituur en verdelen daarom de grond onder de mannelijke nakomelingen, met als gevolg dat
het stuk land steeds kleiner wordt. Er is daarom ook geen gelijkheid grondbezit! Meeste grond is in
handen van:
Particulieren: overwicht kleine boeren die eigen grond bewerken. Weinig grootgrondbezit in
Attika.
Zo´n 10% van de grond is eigendom van publieke lichamen als tempels, demen, fratria, etc.
Grond kan ook worden verpacht. Pachters zijn met name te vinden in de groep theten met te
weinig grond in eigendom om er van te kunnen leven.
Nieuwe groep “nouveaux riches” dankt rijkdom aan:
handelssuccessen (winst investeren in grond).
overstap op rendabeler gewassen die meer opbrengen per ha.
Zij hadden zich kunnen verrijken door de handel, vaak werd de winst in grond geïnvesteerd. Deze
nieuwe rijken hadden genoeg geld om mee te doen aan de verdediging van de polis, waardoor zij ook
meer rechten eisten.
Kleine, naar autarkie strevende boer, krijgt het moeilijker:
door erfdelingen wordt zijn akker kleiner.
kan niet overstappen op rendabeler gewassen.
dalende graanprijzen.
Voor de boeren liepen de problemen alleen maar op. Door de toenemende bevolking en de
erfdelingen van het land werd hun bezit steeds kleiner, en ten slotte te klein op van te kunnen leven.
Hiernaast hadden zij door de handel veel concurrentie erbij gekregen, want graan kon nu vanuit
andere landen worden geïmporteerd. Zij konden niet de investering maken om zich te specialiseren
in bv. olijven of wijn omdat deze de eerste jaren niks opbrengen. Dit had vaak als gevolg dat de
boeren geld moesten lenen bij de Aristocratie, met als gevolg hoge schulden die vaak niet afgelost
konden worden want dan weer leidde tot schuldslavernij. Net als de metoiken (vreemdelingen)
hadden zij geen politieke rechten.
De rijkere metoiken (nouveaux riches) die een goede bijdrage hadden geleverd aan de poleis konden
deze wel verdienen. Metoiken mochten geen grond bezitten in Attika en houden zich met name
bezig met ambacht en handel.