Oefenvragen Biodiversiteit van Planten,
deel Landplanten
1. Wat is het belang van endosymbiose in de evolutie van de eukaryoten?
Endosymbiose = een prokaryoten neemt een ander prokaryote op waardoor er een
hogere complexiteit kon ontstaat en beiden er voordeel van hebben.
2. Welke zijn de drie rijken in de Tree of Life en wat is LUCA?
Archea, Bacterien en Eukaryoten
LUCA = Last universal common ancestor
3. Geef een schatting van het aantal soorten planten, fungi en protisten.
Soorten planten: 300.000 soorten → geschat 450.000
Soorten fungi: 80.000 soorten → geschat 1.350.000
Soorten protisten: 100.000 soorten → geschat 1.500.00
4. Welke zijn de drie belangrijkste aspecten die afgeleid kunnen worden van een
fylogenetische stamboom? Welk aspect is het meest informatief vanuit evolutionair
standpunt?
Fylogenetische boom toont drie aspecten
Tijdsaspect
Vertakkingspatroon
Gelijkenis (similariteit)
Vanuit evolutionair standpunt is het vertakkingspatroon het meeste informatief
5. Maak een schema van een haplonte levenscyclus en duid de belangrijkste delen aan.
Bij een haplonte levenscyclus is een lichaamscel meestal een enkel maar
chromosomen.
Meiose: reductiedeling 2n → 4x n
Mitose Gelijkheid Deling 2n → 2 x 2n of n → 2 x n
,6. Maak een schema van een diplonte levenscyclus en duid de belangrijkste delen aan.
Bij een diplont levenscylsey hebben de meeste lichaamscellen twee hetzelfde DNA.
7. Maak een schema van een diplohaplonte levenscyclus en duid de belangrijkste
delen aan.
, 8. Mosachtigen en varenachtigen zijn parafyletische groepen. Waarom? Noem eveneens
twee voorbeelden van polyfyletische groepen.
Mosachtigen en varenachtigen zijn parafyletische groepen omdat: ze niet alle afstammen van
een voorouder dat in hetzelfde taxon is geplaatst is.
Voorbeelden polyfyletische groep:
Landdieren
Warmbloedigen
9. Wat verstaat men onder homologie? Wat is homoplasie? Geef een voorbeeld van
homologe delen bij planten en plantenstructuren die het gevolg zijn van homoplasie.
Homeplastie = Geen gemeenschappelijke voorouder voor eenzelfde kenmerk maar
afzonderlijk geëvalueerd.
Homologie (Homologieën) = Gemeenschappelijke oorsprong en daardoor gelijkenis tussen
verschillende soorten. Plantendelen die in hun bouwplan en oorsprong overeenkomen noemt
men homoloog. Als de functie hetzelfde is maar niet dezelfde oorsprong dan is het een
analoog.
VB Homologie bij planten: Dorens kunnen homoloog zijn met bladeren stengels of wortels
VB Homoplasie bij planten: doorns en stekels zijn analoog omdat dorens homoloog zijn met
een stengel wortel of blad terwijl stekels gevormd worden door cel uitgroeiingen. VB2
afgeplatte stengels lijken op balderen en zijn daar analooog mee.
deel Landplanten
1. Wat is het belang van endosymbiose in de evolutie van de eukaryoten?
Endosymbiose = een prokaryoten neemt een ander prokaryote op waardoor er een
hogere complexiteit kon ontstaat en beiden er voordeel van hebben.
2. Welke zijn de drie rijken in de Tree of Life en wat is LUCA?
Archea, Bacterien en Eukaryoten
LUCA = Last universal common ancestor
3. Geef een schatting van het aantal soorten planten, fungi en protisten.
Soorten planten: 300.000 soorten → geschat 450.000
Soorten fungi: 80.000 soorten → geschat 1.350.000
Soorten protisten: 100.000 soorten → geschat 1.500.00
4. Welke zijn de drie belangrijkste aspecten die afgeleid kunnen worden van een
fylogenetische stamboom? Welk aspect is het meest informatief vanuit evolutionair
standpunt?
Fylogenetische boom toont drie aspecten
Tijdsaspect
Vertakkingspatroon
Gelijkenis (similariteit)
Vanuit evolutionair standpunt is het vertakkingspatroon het meeste informatief
5. Maak een schema van een haplonte levenscyclus en duid de belangrijkste delen aan.
Bij een haplonte levenscyclus is een lichaamscel meestal een enkel maar
chromosomen.
Meiose: reductiedeling 2n → 4x n
Mitose Gelijkheid Deling 2n → 2 x 2n of n → 2 x n
,6. Maak een schema van een diplonte levenscyclus en duid de belangrijkste delen aan.
Bij een diplont levenscylsey hebben de meeste lichaamscellen twee hetzelfde DNA.
7. Maak een schema van een diplohaplonte levenscyclus en duid de belangrijkste
delen aan.
, 8. Mosachtigen en varenachtigen zijn parafyletische groepen. Waarom? Noem eveneens
twee voorbeelden van polyfyletische groepen.
Mosachtigen en varenachtigen zijn parafyletische groepen omdat: ze niet alle afstammen van
een voorouder dat in hetzelfde taxon is geplaatst is.
Voorbeelden polyfyletische groep:
Landdieren
Warmbloedigen
9. Wat verstaat men onder homologie? Wat is homoplasie? Geef een voorbeeld van
homologe delen bij planten en plantenstructuren die het gevolg zijn van homoplasie.
Homeplastie = Geen gemeenschappelijke voorouder voor eenzelfde kenmerk maar
afzonderlijk geëvalueerd.
Homologie (Homologieën) = Gemeenschappelijke oorsprong en daardoor gelijkenis tussen
verschillende soorten. Plantendelen die in hun bouwplan en oorsprong overeenkomen noemt
men homoloog. Als de functie hetzelfde is maar niet dezelfde oorsprong dan is het een
analoog.
VB Homologie bij planten: Dorens kunnen homoloog zijn met bladeren stengels of wortels
VB Homoplasie bij planten: doorns en stekels zijn analoog omdat dorens homoloog zijn met
een stengel wortel of blad terwijl stekels gevormd worden door cel uitgroeiingen. VB2
afgeplatte stengels lijken op balderen en zijn daar analooog mee.