Semester 2, door Lizzy Scheltus
, Hoorcollege 1 – Inleiding & substantiedualisme
1. Filosofie lseconcip tuiileondirzoik
Empirisch (wetenschappelijk) onderzoek levert een wetenschappelijk
wereldbeeld; normale wereldbeeld: manifest wereldbeeld; flosofe ‘wat
bedoel je met term/ concept X?’; wat is de link tussen deze wereldbeelden?
Wat bedoelen mensen met hun concepten en hoe hangen ze samen.
2. Filosofie lseconcip tuilievirhildiring
Net als bij de conceptuele analyse vraag je naar wat iemand met zijn
concepten bedoelt; maar je gaat een stap verder; je kijkt naar de
wetenschap om de concepten bij te stelen (wellicht levert de wetenschap
kennis op die je niet krijgt door enkel conceptuele analyse).
3. Filosofie lsegrondsl ginondirzoik egildighiidsweitinsch p
In de wetenschap gebruik je allerlei fundamentele concepten (zoals het
concepten van ‘causaliteit’); meestal doe je dat zonder stil te staan bij die
concepten; maar zijn die concepten wel geldig? (dus: is ‘causaliteit wel een
geldig begrip?)(je vraagt naar de geldigheid van de grondslag).
4. Filosofie lsep irsp ictiifweissiling
Op de middelbare school wordt het vak flosofe onder andere
gepresenteerd als een training in perspectiefwisseling (bijv. neem eens het
perspectief in van je tegenstander).
5. Filosofie lsezoiktochten rediewe rhiid
In het oude Griekenland liepen docenten rond – de sofsten – die je leerden
argumenteren. Het ging niet om de waarheid, maar om of je de ander kon
overtuigen (een beetje zoals advocaten nu); daar verzette Socrates zich
tegen.
6. Alleofethie bovie
Dit zijn wellicht niet alle antwoorden; misschien is het handig om te
zeggen dat flosofe dit allemaal is: we willen weten wat we bedoelen met
onze concepten, we willen dat ze geldig zijn en om daar achter te komen
moeten we soms een ander perspectief innemen, zodat we alles zo helder
en duidelijk mogelijk krijgen.
Filosofi is de studie van het kritisch denken t.o.v. jezelf en anderen om de
waarheid te ontdekken. Als academicus leer je in cursussen flosofe kritisch te
staan tegenover je eigen vakgebied (psychologie). Kritisch denken over… wat is
die geest waar we het over hebben? Wat is die psyche? Wat is dat bewustzijn? En
hoe past dat bewustzijn in een fysische wereld?
Thiep roblimeofeconsciousnisse(bewustzijn) is nog niet zo gemakkelijk.
Mensen hebben sterke dualistische intuïties (lichaam en geest gescheiden) maar
als je in je geest wat voelt, dan gebeurt er wat in je brein en ook vaak andersom.
Als moderne wetenschapper/ psycholoog kunnen we niet anders dan accepteren
dat bewustzijn een fysisch fenomeen is.
Vanuit de traditionele analyse zijn er drie mentale toestanden. Een initiële
indeling is als volgt:
1. Biweustieirv ring: deze vormen de ‘hard problem’. Deze worden
gekenmerkt door dat ze een kwalitatief aspect hebben. Nagel noemt dit
‘weh t-it-is-likiniss’/ Dit is een quale (meervoud: qualia) en is de manier
waarop je iets bewust ervaart (kun je hebben zonder dat ze ergens echt
1
, over gaan, druk op ooglid je ziet sterretjes maar ze zijn er niet echt dat
weet je).
2. Cognitii: de gedachten die ergens over gaan. Het is een p rop ositionilie
ttitudie(PA’s)(een houding tegenover een propositie, een houding
tegenover de betekenis van een zin)(bijv. dat Jan gelooft dat het regent).
PA’s gaan ergens over, d.w.z. ze hebben intentionaliteit (aboutness). PA’s
zijn discritieintitiitin (aparte dingen zoals een bak met knikkers en
elke knikker eentje is)(bijv. je weet waar je fets staat en je vergeet waar je
fets is, dan ben je niet alle andere propositionele attitudes kwijt).
3. Emotiis:ecombinatie van een bewuste ervaring met een cognitieve
toestand (bijv. het voelt op een bepaalde manier om kwaad te zijn op een
slechte automobilist).
Ons lgiminiep robliim wanneer we denken aan de geest is ‘hoe kan er
denken en voelen zijn in een wereld van uitsluitend materie?’ ‘Hoe past de
psyche in de fysische wereld?’ Hieruit volgen drie sub problemen:
1. Hoe verhouden irv ringin zich tot de (rest van de) fysische wereld
(lichaam, brein)?
2. Hoe verhouden cognitiivietoist ndin zich tot de (rest van de) fysische
wereld?
3. Hoe verhouden imotiis zich tot de (rest van de) fysische wereld?
Er zijn twee oplossingen: als je weet hoe irv ringin in de wereld passen en hoe
cognitiivietoist ndin in de wereld passen, dan weet je dat ook voor emoties.
Hieruit volgen verschillende stromingen die per college worden uitgelegd.
Substantie-dualisme (lichaam en geest apart), idealisme (fysische wereld
afhankelijk van geest), behaviorisme (geest is eigenlijk gedrag), identiteitstheorie
(mentale toestanden zijn hersentoestanden), eliminativsme (geest bestaat niet),
functionalisme (mentale toestanden door hersentoestanden), connectionisme,
embodied & embedded en zelfs extended mind.
Nummer 1: Substantie-dualisme
De vraag van het subst ntii-du lismi luidt als volgt: ‘Kan de geest
onafhankelijk van het lichaam functioneren?’ door René Descartes.
De geest bestaat onafhankelijk van het lichaam en vice versa. De traditionele
verdediger van het substantie dualisme is René Descartes (de mens is een
machine) maar er zijn wel twee verschillende substanties (dit is iets dat op
zichzelf kan bestaan).
Risecogit ns: de denkende substantie
Riseixtins : de uitgebreide substantie, plaats innemen in de ruimte
De issintiëlieiiginsch p van de denkende substantie is denken. De
essentiële eigenschap van uitgebreide substantie is uitgebreidheid.
Uitgebreidheid is plaats innemen in de ruimte. Volgens Descartes ontstaat
beweging door botsing.
Disc rtis’eiirstiemithodi: radicale twijfel (negatieve methode): hij was een
wetenschapper die alles zeker wilde weten. Hij had wiskunde als prototype
wetenschap (een bouwwerk op een fundament). Hij wilde een onbetwijfelbaar
2
, fundament (zekere kennis). Hij stelt vragen als ‘ben ik wel wakker?’, ‘heb je wel
een lichaam?’, ‘is wiskunde wel waar?’ of ‘wat als er een m lineginii (bijv. een
boze heerser die jou dingen laat denken) is?’ Zo kwam hij bij cogitoeirgoesum,
ofwel ‘ik denk, dus ik ben’ (hier kan hij niet over twijfelen).
Disc rtis’etweiidiemithodi: helder en duidelijk inzicht (positieve methode):
hij wist dat hij bestond en telkens als hij dacht ‘hoe weet ik dat nou’ zei hij: ‘Ik
weet dat omdat ik het helder en duidelijk inzie’ dus is dat de methode om kennis
te generen (hij is een risecogit ns, een denkende substantie).
Hij zegt: ‘Ik tref in mijzelf het concept van God aan welke zegt dat God perfect is
(maar hij zit nog in de twijfel modus), maar god is perfect dus bedriegt niet’.
Descartes zegt dat een lichaam zich kenmerkt door uitgebreidheid (plaats in de
ruimte). Je hebt de geest die als eigenschap heeft ‘denken’ en de geest heeft
geen uitgebreidheid (Descartes is een res cogitans & een res extensa/ een
uitgebreide substantie (bijenwas)(sommige substanties veranderen ook net als
bijenwas, eerst stevig dan weer vloeibaar, maar blijft bijenwas).
Dan komt er een probleem: hiteintir ctiip robliim. Je wilt gaan lopen, je
geest stuurt je lichaam maar je voet gaat bewegen door te duwen en te botsen
en plaats in ruimte in te nemen, maar geest heeft geen uitgebreidheid en kan
niet duwen, hoe kan dit?
De c us liegislotinhiid van de fysische wereld: er gaat geen energie in of uit.
Dit komt voort uit behoudswetten maar dan zitten we met een ‘P trickeSwe zyie
p robliim’: hoe kan een niet-fysische substantie (zonder uitgebreidheid) botsen
met de fysische substantie? (geesten kunnen niet met de fysische wereld praten,
want het zijn geesten).
Er zijn twee oplossingen. Descartes correspondeerde met prinses Elizabeth van
Bohemen; ze vroeg hem ‘hoe kan het dat de geest/ziel causaal interacteert met
de bodily sp irits (fysische deeltjes)’?’
Aan de ene kant zijn we duidelijk twee substanties;
Aan de andere kant zijn we niet gelijk aan een zeeman op een schip, maar
interacteren lichaam en geest.
Volgens Descartes interacteren lichaam en geest in diep ijn p p ilkliir (locatie
van probleem). Volgens Descartes regelt God de interactie.
Occ sion lismi (door Malebranche): alleen god is de ware oorzaak van
dingen in de wereld, maar Malebranche zegt dat dit slechts zo lijkt (als ik
de wens heb om een kant op te lopen ziet God dat ik dat wil en zorgt God
dat ik dit doe). Mijn wens/gedachte is de gelegenheid (occasion) voor God
om mijn arm op te steken alles gebeurt omwille van god.
P r llilismi (door Geulinex en Leibniz): als we twee klokken hebben die
synchroon lopen, dan komt dat doordat ze zo gemaakt zijn. Hetzelfde geldt
voor lichaam en geest. God heeft fysische wereld gemaakt en geestelijke
wereld, zo gemaakt dat mijn geest wil dat die kant op gaat mijn lichaam
dat ook doet. Maar zijn in principe wel twee losse systemen fysieke en
geestelijke wereld lopen synchroon (god heeft dit zo gemaakt).
3