Blz. 17 t/m 26
In de kerndoelen wordt aangegeven wat de kinderen aan het eind van de basisschool moeten
kennen en kunnen op het gebied van de verschillende basisschoolvakken. De kerndoelen voor het
taalonderwijs zijn verdeeld in: mondeling taalonderwijs, schrifelijk taalonderwijs en
taalbeschouwing waaronder strategieën.
Omdat kerndoelen heel algemeen geformuleerd zijn en alleen het eindniveau van het taalonderwijs
aangeven, zijn er ook tussendoelen en leerlijnen geformuleerd door het Expertsecentrum
Nederlands en de SLO. Het Expertsecentrum Nederlands ook tussendoelen geformuleerd voor de
beginnende en gevorderde geleterdheid. Onder geletterdheid verstaan we de spontane
belangstelling voor leters en teksten en het inzicht dat kinderen ontwikkelen in de functes van
geschreven taal. In de tussendoelen wordt aandacht besteed aan de volgende acht leerlijnen:
1. Lees- en schrijfmotvate
2. Technisch lezen
3. Spelling en interpuncte
4. Begrijpend lezen
5. Strategisch schrijven
6. Informateverwerking
7. Leeswoordenschat
8. Refecte op geschreven taal
Per 1 januari 2010 zijn de referenteniveaus voor taal en rekenen ingevoerd in het Nederlands
onderwijs. De referenteniveaus omschrijven wat leerlingen moeten weten en kunnen op het gebied
van taal en rekenen op bepaalde momenten in hun schoolloopbaan.
In referenteniveaus hanteren ze de volgende indeling in domeinen:
Mondelinge taalvaardigheid
- Gespreksvaardigheid
- Luistervaardigheid
- Spreekvaardigheid
Leesvaardigheid
- Lezen van zakelijke teksten
- Lezen van fctonele teksten
Schrijfvaardigheid
Taalbeschouwing en taalverzorging
- Grammatca en spelling
- Begrippen
Blz. 175 t/m 213
Alle woorden die kinderen leren worden opgeslagen in het woordgeheugen of het mentaal lexicon.
Concrete betekenis is de betekenis die ligt op ervaringsniveau: het gaat steeds om iets wat je
concreet kunt aanwijzen of ervaren.
Abstracte betekenis is de betekenis zoals je die in de hoofden van taalgebruikers vindt, het gaat om
het idee of het concept dat men heef.
Alle relates die een woord heef met andere woorden noemen we de contextuele betekenis.
Vanaf 1 jaar concrete betekenis
Vanaf 2 jaar abstracte betekenis
Vanaf 3 à 4 jaar contextuele betekenis
, Twee bekende fouten van woorden toepassen:
Onderextensie: een te beperkte toepassing van een woord.
Overextensie: een te brede toepassing van een woord.
Ons woordgeheugen is niet zomaar een verzameling van losse woorden en betekenissen, maar
woorden liggen in een soort netwerk bij elkaar opgeslagen.
Woorden zijn op allerlei manieren meet elkaar verbonden:
Fonologisch niveau woorden zijn geordend op rijmklanken.
Morfologisch niveau woorden zijn geordend naar de manier waarop ze opgebouwd zijn.
Semantsch niveau woorden zijn geordend naar betekenis.
Syntactsch niveau woorden zijn geordend naar hun gebruik in de zin.
Netwerk van verwante betekenissen waar denk jij aan bij het woord vakante. Dit is voor iedereen
verschillend.
Netwerk van hiërarchische verbanden
In de spontane taalontwikkeling zijn er drie belangrijke principes voor woordenschatwerving. Ze
worden meestal aangeduid als:
1 labelen bij labelen koppel je een woord aan een voorwerp of gebeurtenis uit de werkelijkheid.
Labelen vindt altjd plaats in een concrete context, waarbij je je zintuigen kunt
inschakelen.
2 categoriseren als een kind een aantal woorden kent, kan het ook betekenissen met elkaar
combineren en woorden onderbrengen ij overkoepelende begrippen.
3 netwerkopbouw betekenissen in het geheugen worden aan elkaar gekoppeld.
Woordleerstrategieën:
1 analyseren van een woord
Bij langere woorden kun je achter de betekenis komen door het analyseren van een woord in
bekende woorden of door te leten op bekende voorvoegsels of achtervoegsels.
2 gebruik van de (verbale en non-verbale) context
Er zijn veel woorden in onze taal waarvan de betekenis lastg is te omschrijven. De betekenis van een
woord als misschien in de zin Ik kom misschien morgen moet een kind afeiden uit de context.
3 gebruikmaken van een bron in de eerste of de tweede taal
Je kunt ook achter de betekenis van een woord komen door het te vragen aan een klasgenoot of de
leerkracht. Belangrijke bronnen zijn ook een woordenboek of het internet.
4 letten op overeenkomsten tussen eerste en tweede taal
Allochtone kinderen kunnen ook nagaan of ze bepaalde woorden of woordvelden in hun moedertaal
kennen en op die manier hun woordenschat uitbreiden.