3.3 Politieke partijen
Politieke partij Een groep mensen met globaal dezelfde ideeën over een ideale
samenleving.
One-issue partij Partij die één specifieke doelgroep vertegenwoordigt of vooral naar één
aspect van de samenleving kijkt.
Niet-democratische partij Partij met standpunten die in strijd zijn met de rechtsstaat.
Zwevende kiezers Kiezers die niet bij elke verkiezing op dezelfde partij stemmen.
3.4 Verkiezingen
Actief kiesrecht Het recht om bij verkiezingen een stem uit te brengen.
Passief kiesrecht Het recht om verkiesbaar te zijn.
Evenredige vertegenwoordiging Kiesstelsel waarbij alle uitgebrachte stemmen worden verdeeld over het
beschikbare aantal zetels.
Kiesdeler De hoeveelheid stemmen die nodig is voor één zetel.
Kiesdrempel Een partij moet een minimumpercentage stemmen halen om mee te
kunnen delen in de zetels.
Districten- of meerderheidsstelsel Kiesstelsel waarbij een land wordt verdeeld in districten en waarbij de
afgevaardigde die de meeste stemmen haalt in het district in het parlement
komt.
Mediacratie Term die de grote invloed van de media op de politieke situatie aanduidt.
Informatie Periode na de verkiezingen waarin een informateur onderzoekt welke
partijen samen een coalitie kunnen en willen vormen.
Formatie Het proces waarbij na de Tweede Kamerverkiezingen een nieuw kabinet
wordt gevormd.
Coalitie Een combinatie van verschillende partijen die samenwerken op bestuurlijk
niveau.
Oppositie De partijen die geen deel uitmaken van de coalitie.
Regeerakkoord De plannen van de regering voor de komende jaren in hoofdlijnen.
Demissionair kabinet Kabinet dat na de val van het oude kabinet tijdelijk in functie blijft en alleen
lopende zaken afhandelt totdat er een nieuwe regering is gevormd.
3.5 Regering en parlement
Kabinet Het dagelijks bestuur van het land, bestaande uit ministers en
staatssecretarissen.
Regering De koning en de ministers.
Politieke partij Een groep mensen met globaal dezelfde ideeën over een ideale
samenleving.
One-issue partij Partij die één specifieke doelgroep vertegenwoordigt of vooral naar één
aspect van de samenleving kijkt.
Niet-democratische partij Partij met standpunten die in strijd zijn met de rechtsstaat.
Zwevende kiezers Kiezers die niet bij elke verkiezing op dezelfde partij stemmen.
3.4 Verkiezingen
Actief kiesrecht Het recht om bij verkiezingen een stem uit te brengen.
Passief kiesrecht Het recht om verkiesbaar te zijn.
Evenredige vertegenwoordiging Kiesstelsel waarbij alle uitgebrachte stemmen worden verdeeld over het
beschikbare aantal zetels.
Kiesdeler De hoeveelheid stemmen die nodig is voor één zetel.
Kiesdrempel Een partij moet een minimumpercentage stemmen halen om mee te
kunnen delen in de zetels.
Districten- of meerderheidsstelsel Kiesstelsel waarbij een land wordt verdeeld in districten en waarbij de
afgevaardigde die de meeste stemmen haalt in het district in het parlement
komt.
Mediacratie Term die de grote invloed van de media op de politieke situatie aanduidt.
Informatie Periode na de verkiezingen waarin een informateur onderzoekt welke
partijen samen een coalitie kunnen en willen vormen.
Formatie Het proces waarbij na de Tweede Kamerverkiezingen een nieuw kabinet
wordt gevormd.
Coalitie Een combinatie van verschillende partijen die samenwerken op bestuurlijk
niveau.
Oppositie De partijen die geen deel uitmaken van de coalitie.
Regeerakkoord De plannen van de regering voor de komende jaren in hoofdlijnen.
Demissionair kabinet Kabinet dat na de val van het oude kabinet tijdelijk in functie blijft en alleen
lopende zaken afhandelt totdat er een nieuwe regering is gevormd.
3.5 Regering en parlement
Kabinet Het dagelijks bestuur van het land, bestaande uit ministers en
staatssecretarissen.
Regering De koning en de ministers.