Portacabin-arrest
Onderwerpen ‐ Criteria onroerende zaken, duurzaam met de grond verenigd
Artikelen ‐ Artikel 3:3 BW
De feiten
Op het terein van Buys was een portacabin geplaatst naast een bedrijfsgebouw op
hetzelfde perceel. De portacabin was door middel van leidingen aangesloten op het gas-,
water- en elektriciteitsnet, de riolering en het telefoonnet. De portacabin werd in 1990 als
bedrijfsgebouw in gebruik genomen.
Eind 1990 verstrekt de Rabobank kredieten aan Buys waarbij een recht van hypotheek
op het bedrijfsterrein en een bij notariële akte gevestigd pandrecht als onderpand dient.
In 1992 heeft de Ontvanger executoriaal beslag doen leggen op de roerende zaken die
zich in het pand van Buys bevonden, waarbij mede beslag werd gelegd op de portacabin
als ware het een roerende zaak.
Buys heeft toen vóór de datum van de openbare verkoop, met toestemming van de
Ontvanger, de portacabin aan een derde verkocht. De Rabobank was hiervan niet op de
hoogte en constateerd later dat de portacabin gedemonteerd en afgegeven was aan de
derde.
De Rabobank heeft in het geding gevorderd dat voor recht zal worden verklaard dat de
portacabin onder haar recht van hypotheek valt wat zij op het bedrijfsperceel heeft.
De Ontvanger stelt zich op het standpunt dat de portacabin roerend is omdat zij niet in
de zin van art. 3:3 BW duurzaam met de grond verenigd was.
Rechtsvraag
Is de portacabin door natrekking onderdeel van de grond en dus onroerend geworden?
Overweging
De Rechtbank oordeelde dat uit de feiten en omstandigheden voortvloeit dat de
portacabin was verenigd met de grond waarop zij was geplaatst. Het Hof bevestigt het
oordeel van de rechtbank, want heeft aan de feiten en omstandigheden de
gevolgtrekking verbonden dat de portacabin naar aard en inrichting bestemd was om als
, bedrijfsgebouw te worden gebruikt en om duurzaam ter plaatse te blijven, en deze
bedoeling van Buys ook naar buiten kenbaar was zodat aan de wettelijke maatstaf van
art. 3:3 BW is voldaan.
De Hoge Raad geeft vervolgens de volgende criteria die van belang zijn om te bepalen
of een gebouw duurzaam met de grond is verenigd:
a. Een gebouw kan duurzaam met de grond verenigd zijn in de zin van art. 3:3 BW,
doordat het naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven. Niet
van belang is dan meer dat technisch de mogelijkheid bestaat om het bouwsel te
verplaatsen.
b. Bij de beantwoording van de vraag of een gebouw of een werk bestemd is om
duurzaam ter plaatse te blijven moet worden gelet op de bedoeling van de bouwer voor
zover deze naar buiten kenbaar is. Onder bouwer moet ook worden verstaan degene in
wiens opdracht het bouwwerk wordt gebouwd.
c. De bestemming van een gebouw of een werk om duurzaam ter plaatse te blijven dient
naar buiten kenbaar te zijn.
d. De verkeersopvattingen kunnen niet worden gebruikt als een zelfstandige maatstaf
voor de beoordeling van de vraag of een zaak roerend of onroerend is. Zij kunnen wel in
aanmerking worden genomen voor invulling van bovenstaande criteria.
De Hoge Raad acht het oordeel van het Hof dat de portacabin onroerend was juist.
Rechtsregel
De volgende vier criteria zijn van belang bij de bepaling of een gebouw duurzaam met de
grond is verenigd:
a. Een gebouw kan duurzaam met de grond verenigd zijn in de zin van art. 3:3 BW,
doordat het naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven. Niet
van belang is dan meer dat technisch de mogelijkheid bestaat om het bouwsel te
verplaatsen.
b. Bij de beantwoording van de vraag of een gebouw of een werk bestemd is om
duurzaam ter plaatse te blijven moet worden gelet op de bedoeling van de bouwer voor
zover deze naar buiten kenbaar is. Onder bouwer moet ook worden verstaan degene in
wiens opdracht het bouwwerk wordt gebouwd.
c. De bestemming van een gebouw of een werk om duurzaam ter plaatse te blijven dient
Onderwerpen ‐ Criteria onroerende zaken, duurzaam met de grond verenigd
Artikelen ‐ Artikel 3:3 BW
De feiten
Op het terein van Buys was een portacabin geplaatst naast een bedrijfsgebouw op
hetzelfde perceel. De portacabin was door middel van leidingen aangesloten op het gas-,
water- en elektriciteitsnet, de riolering en het telefoonnet. De portacabin werd in 1990 als
bedrijfsgebouw in gebruik genomen.
Eind 1990 verstrekt de Rabobank kredieten aan Buys waarbij een recht van hypotheek
op het bedrijfsterrein en een bij notariële akte gevestigd pandrecht als onderpand dient.
In 1992 heeft de Ontvanger executoriaal beslag doen leggen op de roerende zaken die
zich in het pand van Buys bevonden, waarbij mede beslag werd gelegd op de portacabin
als ware het een roerende zaak.
Buys heeft toen vóór de datum van de openbare verkoop, met toestemming van de
Ontvanger, de portacabin aan een derde verkocht. De Rabobank was hiervan niet op de
hoogte en constateerd later dat de portacabin gedemonteerd en afgegeven was aan de
derde.
De Rabobank heeft in het geding gevorderd dat voor recht zal worden verklaard dat de
portacabin onder haar recht van hypotheek valt wat zij op het bedrijfsperceel heeft.
De Ontvanger stelt zich op het standpunt dat de portacabin roerend is omdat zij niet in
de zin van art. 3:3 BW duurzaam met de grond verenigd was.
Rechtsvraag
Is de portacabin door natrekking onderdeel van de grond en dus onroerend geworden?
Overweging
De Rechtbank oordeelde dat uit de feiten en omstandigheden voortvloeit dat de
portacabin was verenigd met de grond waarop zij was geplaatst. Het Hof bevestigt het
oordeel van de rechtbank, want heeft aan de feiten en omstandigheden de
gevolgtrekking verbonden dat de portacabin naar aard en inrichting bestemd was om als
, bedrijfsgebouw te worden gebruikt en om duurzaam ter plaatse te blijven, en deze
bedoeling van Buys ook naar buiten kenbaar was zodat aan de wettelijke maatstaf van
art. 3:3 BW is voldaan.
De Hoge Raad geeft vervolgens de volgende criteria die van belang zijn om te bepalen
of een gebouw duurzaam met de grond is verenigd:
a. Een gebouw kan duurzaam met de grond verenigd zijn in de zin van art. 3:3 BW,
doordat het naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven. Niet
van belang is dan meer dat technisch de mogelijkheid bestaat om het bouwsel te
verplaatsen.
b. Bij de beantwoording van de vraag of een gebouw of een werk bestemd is om
duurzaam ter plaatse te blijven moet worden gelet op de bedoeling van de bouwer voor
zover deze naar buiten kenbaar is. Onder bouwer moet ook worden verstaan degene in
wiens opdracht het bouwwerk wordt gebouwd.
c. De bestemming van een gebouw of een werk om duurzaam ter plaatse te blijven dient
naar buiten kenbaar te zijn.
d. De verkeersopvattingen kunnen niet worden gebruikt als een zelfstandige maatstaf
voor de beoordeling van de vraag of een zaak roerend of onroerend is. Zij kunnen wel in
aanmerking worden genomen voor invulling van bovenstaande criteria.
De Hoge Raad acht het oordeel van het Hof dat de portacabin onroerend was juist.
Rechtsregel
De volgende vier criteria zijn van belang bij de bepaling of een gebouw duurzaam met de
grond is verenigd:
a. Een gebouw kan duurzaam met de grond verenigd zijn in de zin van art. 3:3 BW,
doordat het naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven. Niet
van belang is dan meer dat technisch de mogelijkheid bestaat om het bouwsel te
verplaatsen.
b. Bij de beantwoording van de vraag of een gebouw of een werk bestemd is om
duurzaam ter plaatse te blijven moet worden gelet op de bedoeling van de bouwer voor
zover deze naar buiten kenbaar is. Onder bouwer moet ook worden verstaan degene in
wiens opdracht het bouwwerk wordt gebouwd.
c. De bestemming van een gebouw of een werk om duurzaam ter plaatse te blijven dient