Samenvatting D3
‘Psychiatrie A’
Daan Beers
Klinische vraagstukken – Cluster D
,Inhoudsopgave
Neurocognitieve stoornissen ..................................................................................................... 4
Delieren .................................................................................................................................. 4
Beloop................................................................................................................................. 5
Diagnostiek ......................................................................................................................... 5
Behandeling ........................................................................................................................ 6
Dementieën ............................................................................................................................ 6
Beloop................................................................................................................................. 7
Diagnostiek ......................................................................................................................... 7
Diagnostiek van de oorzaak ............................................................................................... 9
Etiopathogenese............................................................................................................... 10
Executieve functies ............................................................................................................... 12
Vijf domeinen bij executieve functies .............................................................................. 12
Psychosespectrumstoornissen ................................................................................................. 14
Waarneming en hallucinaties ........................................................................................... 14
Denken en wanen............................................................................................................. 15
Syndromen ........................................................................................................................... 15
Schizofrenie ...................................................................................................................... 15
Schizofreniforme stoornis ................................................................................................ 17
Schizoaffectieve stoornis .................................................................................................. 17
Waanstoornis ................................................................................................................... 17
Kortdurende psychotische stoornis ................................................................................. 17
Katatonie .......................................................................................................................... 17
Beloop................................................................................................................................... 18
Diagnostiek ........................................................................................................................... 18
Behandeling .......................................................................................................................... 18
Psycho-educatie ............................................................................................................... 18
Neurobiologische behandeling ........................................................................................ 18
Ontwikkelingsstoornissen ........................................................................................................ 20
Syndromen ........................................................................................................................... 20
Autismespectrumstoornis ................................................................................................ 20
Sociale (pragmatische) communicatiestoornis ................................................................ 20
Aandachtsdeficiëntie-/hyperactiviteitsstoornis (ADHD) .................................................. 20
Ticstoornissen ................................................................................................................... 21
Beloop................................................................................................................................... 21
2
,Verslavingsstoornissen ............................................................................................................. 22
Syndromen ........................................................................................................................... 22
Stoornissen in het gebruik van een middel ...................................................................... 22
Stoornissen door het gebruik van een middel ................................................................. 23
Beloop................................................................................................................................... 23
Behandeling .......................................................................................................................... 24
Farmacotherapie .............................................................................................................. 24
Drangstoornissen ..................................................................................................................... 26
Syndromen ........................................................................................................................... 26
Parafilieën en parafiele stoornissen ................................................................................. 26
Stoornissen in de impulsbeheersing ................................................................................ 28
Beloop................................................................................................................................... 29
Wetgeving ................................................................................................................................ 30
Wet op de Geneeskundige Behandelingsovereenkomst. .................................................... 30
Wet Bijzondere Opname Psychiatrische Ziekenhuizen ........................................................ 32
De voorlopige machtiging ................................................................................................ 32
De inbewaringstelling (IBS) .............................................................................................. 33
3
, Neurocognitieve stoornissen
In de DSM-5 worden als meest kenmerkende neurocognitieve stoornissen genoemd: het
delirium, de uitgebreide neurocognitieve stoornis (dementie) en de beperkte
neurocognitieve stoornis. Omdat de belangrijkste symptomen bestaan uit
bewustzijnsdaling, aandacht stoornis en oriëntatiestoornis bij het delier en
geheugenstoornis bij dementie, vallen ze onder de hoofddiagnose neurocognitieve
stoornissen.
Delieren DSM-5 classificatie van delieren
Een delier is altijd het gevolg van een lichamelijke ziekte of het 1.
gebruik van een (genees)middel. Ouderen, lichamelijk zieke - Door intoxicatie door een middel
- Door onttrekking van een middel
patiënten zijn hiervoor het meest kwetsbaar voor. Wanneer - Door medicatie
iemand een delier ontwikkeld zal deze persoon meer lichamelijke - Door een somatische aandoening
complicaties krijgen, langer ziek zijn en een grotere kans hebben - Door multipele oorzaken
om te komen te overleiden. Rede hiervoor is nog steeds de - Ongespecificeerd delirium
onderliggende lichamelijke aandoening, maar omdat het gedrag
van de patiënten met een delirium vaak gestoord is, missen zij DSM-5 criteria voor delirium
vaak een goede medische behandeling. 2.
- Stoornis in het bewustzijn en
. aandacht
Een delier is een verworven aandoening met functievermindering - Ontwikkeld zich in korte tijd
in cognitieve domeinen. De cognitieve symptomen moeten - Fluctueert gedurende de dag in ernst
zodanig ernstig aanwezig zijn dat ze de activiteiten in het - Bijkomende stoornis in de cognitieve
dagelijks leven beperken. Daarnaast mogen de cognitieve . functies
- Aanwijzingen voor een directe
symptomen niet het gevolg zijn van een aanwezige dementie. . somatische aandoening
De bewustzijnsstoornis, het kernsymptoom is van een delier, uit zich in een verminderde
helderheid en een afgenomen besef van de omgeving zonder dat er sprake is van coma. De
patiënt heeft moete met zich te concentreren, de aandacht vast te houden of te verplaatsen.
Hij kan gemakkelijk afgeleid zijn of nauwelijks reageren. Ook andere cognitieve functies zijn
vaak gestoord. De desoriëntatie uit zich vaak eerst in tijd, later ook in plaats en in een
misidentificatie van vertrouwde personen. Geheugenstoornissen treden vooral op bij het
kortetermijngeheugen, en leiden tot anterograde amnesie. Het langetermijngeheugen is
meestal intact, maar gebeurtenissen uit het verleden kunnen vervormd een rol spelen in
psychotische belevingen.
Er kunnen waarnemingsstoornissen ontstaan tijdens het doormaken van een delier. Hierbij
kan het gaan om dispercepties (vervormde waarneming), illusoire vervalsing en
hallucinaties. De hallucinaties zijn meestal levensecht, kleurrijk en angstaanjagend. Bij een
verminderde visus, slechthorendheid en ’s nachts wanneer zintuiglijke prikkels onduidelijk of
verminderd zijn, komen gemakkelijker waarnemingsstoornissen voor.
Patiënten met een delirium hebben vaak psychomotorische stoornissen. Zo kan de patiënt
extreem onrustig zijn, maar ook zeer geremd en apathisch. Zelfbeschadiging door vallen of
uittrekken van infuuslijnen kan een delirium compliceren. Hyperactiviteit en slaapgebrek
kunnen leiden tot uitputting.
4
‘Psychiatrie A’
Daan Beers
Klinische vraagstukken – Cluster D
,Inhoudsopgave
Neurocognitieve stoornissen ..................................................................................................... 4
Delieren .................................................................................................................................. 4
Beloop................................................................................................................................. 5
Diagnostiek ......................................................................................................................... 5
Behandeling ........................................................................................................................ 6
Dementieën ............................................................................................................................ 6
Beloop................................................................................................................................. 7
Diagnostiek ......................................................................................................................... 7
Diagnostiek van de oorzaak ............................................................................................... 9
Etiopathogenese............................................................................................................... 10
Executieve functies ............................................................................................................... 12
Vijf domeinen bij executieve functies .............................................................................. 12
Psychosespectrumstoornissen ................................................................................................. 14
Waarneming en hallucinaties ........................................................................................... 14
Denken en wanen............................................................................................................. 15
Syndromen ........................................................................................................................... 15
Schizofrenie ...................................................................................................................... 15
Schizofreniforme stoornis ................................................................................................ 17
Schizoaffectieve stoornis .................................................................................................. 17
Waanstoornis ................................................................................................................... 17
Kortdurende psychotische stoornis ................................................................................. 17
Katatonie .......................................................................................................................... 17
Beloop................................................................................................................................... 18
Diagnostiek ........................................................................................................................... 18
Behandeling .......................................................................................................................... 18
Psycho-educatie ............................................................................................................... 18
Neurobiologische behandeling ........................................................................................ 18
Ontwikkelingsstoornissen ........................................................................................................ 20
Syndromen ........................................................................................................................... 20
Autismespectrumstoornis ................................................................................................ 20
Sociale (pragmatische) communicatiestoornis ................................................................ 20
Aandachtsdeficiëntie-/hyperactiviteitsstoornis (ADHD) .................................................. 20
Ticstoornissen ................................................................................................................... 21
Beloop................................................................................................................................... 21
2
,Verslavingsstoornissen ............................................................................................................. 22
Syndromen ........................................................................................................................... 22
Stoornissen in het gebruik van een middel ...................................................................... 22
Stoornissen door het gebruik van een middel ................................................................. 23
Beloop................................................................................................................................... 23
Behandeling .......................................................................................................................... 24
Farmacotherapie .............................................................................................................. 24
Drangstoornissen ..................................................................................................................... 26
Syndromen ........................................................................................................................... 26
Parafilieën en parafiele stoornissen ................................................................................. 26
Stoornissen in de impulsbeheersing ................................................................................ 28
Beloop................................................................................................................................... 29
Wetgeving ................................................................................................................................ 30
Wet op de Geneeskundige Behandelingsovereenkomst. .................................................... 30
Wet Bijzondere Opname Psychiatrische Ziekenhuizen ........................................................ 32
De voorlopige machtiging ................................................................................................ 32
De inbewaringstelling (IBS) .............................................................................................. 33
3
, Neurocognitieve stoornissen
In de DSM-5 worden als meest kenmerkende neurocognitieve stoornissen genoemd: het
delirium, de uitgebreide neurocognitieve stoornis (dementie) en de beperkte
neurocognitieve stoornis. Omdat de belangrijkste symptomen bestaan uit
bewustzijnsdaling, aandacht stoornis en oriëntatiestoornis bij het delier en
geheugenstoornis bij dementie, vallen ze onder de hoofddiagnose neurocognitieve
stoornissen.
Delieren DSM-5 classificatie van delieren
Een delier is altijd het gevolg van een lichamelijke ziekte of het 1.
gebruik van een (genees)middel. Ouderen, lichamelijk zieke - Door intoxicatie door een middel
- Door onttrekking van een middel
patiënten zijn hiervoor het meest kwetsbaar voor. Wanneer - Door medicatie
iemand een delier ontwikkeld zal deze persoon meer lichamelijke - Door een somatische aandoening
complicaties krijgen, langer ziek zijn en een grotere kans hebben - Door multipele oorzaken
om te komen te overleiden. Rede hiervoor is nog steeds de - Ongespecificeerd delirium
onderliggende lichamelijke aandoening, maar omdat het gedrag
van de patiënten met een delirium vaak gestoord is, missen zij DSM-5 criteria voor delirium
vaak een goede medische behandeling. 2.
- Stoornis in het bewustzijn en
. aandacht
Een delier is een verworven aandoening met functievermindering - Ontwikkeld zich in korte tijd
in cognitieve domeinen. De cognitieve symptomen moeten - Fluctueert gedurende de dag in ernst
zodanig ernstig aanwezig zijn dat ze de activiteiten in het - Bijkomende stoornis in de cognitieve
dagelijks leven beperken. Daarnaast mogen de cognitieve . functies
- Aanwijzingen voor een directe
symptomen niet het gevolg zijn van een aanwezige dementie. . somatische aandoening
De bewustzijnsstoornis, het kernsymptoom is van een delier, uit zich in een verminderde
helderheid en een afgenomen besef van de omgeving zonder dat er sprake is van coma. De
patiënt heeft moete met zich te concentreren, de aandacht vast te houden of te verplaatsen.
Hij kan gemakkelijk afgeleid zijn of nauwelijks reageren. Ook andere cognitieve functies zijn
vaak gestoord. De desoriëntatie uit zich vaak eerst in tijd, later ook in plaats en in een
misidentificatie van vertrouwde personen. Geheugenstoornissen treden vooral op bij het
kortetermijngeheugen, en leiden tot anterograde amnesie. Het langetermijngeheugen is
meestal intact, maar gebeurtenissen uit het verleden kunnen vervormd een rol spelen in
psychotische belevingen.
Er kunnen waarnemingsstoornissen ontstaan tijdens het doormaken van een delier. Hierbij
kan het gaan om dispercepties (vervormde waarneming), illusoire vervalsing en
hallucinaties. De hallucinaties zijn meestal levensecht, kleurrijk en angstaanjagend. Bij een
verminderde visus, slechthorendheid en ’s nachts wanneer zintuiglijke prikkels onduidelijk of
verminderd zijn, komen gemakkelijker waarnemingsstoornissen voor.
Patiënten met een delirium hebben vaak psychomotorische stoornissen. Zo kan de patiënt
extreem onrustig zijn, maar ook zeer geremd en apathisch. Zelfbeschadiging door vallen of
uittrekken van infuuslijnen kan een delirium compliceren. Hyperactiviteit en slaapgebrek
kunnen leiden tot uitputting.
4