en media Hfst 3 par. 2, 2.1 en
2.2
Elementen van het communicateepocee
We onderscheiden de communicator, de boodschap, de fase van encoderen en decoderen, de
transmissie en de ontvanger. In eerste instante zullen we deze fundamentele bouwetenen
toelichten om daarna te besluiten met het communicatemodel van Oomkes.
Communicatop
Het standpunt van communicate ligt vaak bij een communicatop of zender die – al dan niet bewust-
een boodschap met infopmate, in de zin van een georganiseerd geheel van data en feiten over een
bepaald onderwerp uitzendt. Wanneer deze informate niet wordt verzonden, dan spreken we van
een bron in plaats van een communicator. Het versturen van een boodschap zal echter niet altjd
bedoeld of bewust gebeuren. Blozen bijvoorbeeld heb je niet onder controle maar het communiceert
wel een boodschap van schaamte, verlegenheid of ongemak. Als communicator was dat toch niet je
intente of bedoeling, maar je bent je er wel bewust van. Maar ook dat laatst is niet altjd het geval.
Beeld je in dat je hoogzwanger bent, net de overvolle tram bent opgestapt en wegens een pijnscheut
je hangen in je onderrug houdt. Onbewust communiceer je op die manier naar de andere passagiers
dat je pijn hebt en behoefe hebt om even te gaan ziten. Kortom, we kunnen niet niet
communiceren en zelfs helemaal niets zeggen is een vorm van communicate.
De communicator kan een individu zijn of een organisate zoals een omroep of een krantenuitgeverij.
Onder meer op basis van dit kenmerk kunnen we verschillende vormen van communicate
onderscheiden zoals interpersoonlijke communicate of massacommunicate. Bij de klassieke vorm
van massacommunicate liggen de rollen van zender en ontvanger veel vaster dan bij de nieuwe
media (bijvoorbeeld YouTube en commentaren op de video’s) of bij communicate tussen individuen
waar meer mogelijkheid bestaat tot feedback. Feedback betref de manier waarop de communicator
beïnvloed wordt door de eigenlijke reacte van de ontvanger op de boodschap. Deze feedback
gebeurt vaak onbewust door de ontvanger aan de hand van non-verbale communicate.
Aan de andere kant kan de communicator ook al antciperen op de mogelijke reacte van de
ontvanger. In dat geval spreken we van feedfopwapd. Een voorbeeld hiervan is het openen van een
slechte boodschap met de woorden ‘Met alle respect, maar…’ ‘Niet boos worden, maar...’
Tot slot zal de communicator vooral aan eelecte doen tjdens een communicateproces. Niet alles
zal/kan verstuurd worden; sommige zaken worden uitvergroot of beklemtoond en andere zullen
geminimaliseerd worden. Voor de ontvanger is het daarom belangrijk dat de zender aanwezig is
(zichtbaar/hoorbaar) tjdens het communicateproces, wat benoemd wordt als coepeeence zoals
communiceren als vorm van individueel gedrag beïnvloed kan worden. Dit aspect van copresence is
sterk gelinkt aan het belang van non-verbale communicate aangezien bijvoorbeeld de lichaamstaal
van de communicator een bijkomende bron van informate kan zijn voor de ontvanger. Op basis van
die metataal kan de ontvanger onder meer gemakkelijker oordelen over de geloofwaardigheid van
de zender.
Boodechae