Naam: ……………………………………………………………………………...
Studentnummer:…………………………………………………………………..
TENTAMEN Inleiding in de Rechtswetenschap
Vrijdag 24 oktober 2014, 08:45 – 11:15 uur
LEES DIT EERST!
Het tentamen bestaat uit in totaal 30 multiple-choicevragen en 3 open vragen, waarvan vraag 2
bestaat uit 2 subvragen.
Dit formulier bevat inclusief het voorblad 13 pagina's. Op de laatste pagina’s is er ruimte om de
antwoorden op de open vragen op te schrijven.
Voor de beantwoording van de multiple-choicevragen krijgt u een mc-antwoordformulier.
- vul op het mc-antwoordformulier uw naam en studentnummer in, en de versie die u maakt (A,
B, C of D).
- het mc-antwoordformulier bij voorkeur met pen invullen, maar niet met de kleur rood.
- correcties aanbrengen mag (zie mc-antwoordformulier), maar vraag een nieuw mc-
antwoordformulier als u veel doorhalingen heeft.
- U dient alles in te leveren, voorzien van uw naam en studentnummer.
Alleen het gebruik van een niet-geannoteerde wetgevingseditie is toegestaan. Het meegebrachte
materiaal kan tijdens het tentamen door een surveillant worden onderzocht. Ook uw identiteit
wordt tijdens het tentamen gecontroleerd. Daartoe dient u uw identiteitsbewijs op de hoek van
uw tafel te leggen. Dat mag een collegekaart, een paspoort of een ander identiteitsbewijs zijn.
Veel succes!
VERSIE A
,Modelantwoorden,
zie
voor
de
antwoorden
op
de
andere
versies
de
transponeringstabel
op
p.
2
ANTWOORDEN MC VRAGEN, versie A, B, C, D
A B C D
1 24 17 10 c
2 25 18 11 d
3 26 19 12 b
4 27 20 13 c
5 28 21 14 c
6 29 22 15 a
7 30 23 16 a
8 1 24 17 d
9 2 25 18 d
10 3 26 19 b
11 4 27 20 b
12 5 28 21 c
13 6 29 22 b
14 7 30 23 a
15 8 1 24 b
16 9 2 25 d
17 10 3 26 a
18 11 4 27 b
19 12 5 28 d
20 13 6 29 d
21 14 7 30 b
22 15 8 1 b
23 16 9 2 a
24 17 10 3 c
25 18 11 4 c
26 19 12 5 a
27 20 13 6 d
28 21 14 7 a
29 22 15 8 b
30 23 16 9 b
VERSIE
A
2
, Modelantwoorden,
zie
voor
de
antwoorden
op
de
andere
versies
de
transponeringstabel
op
p.
2
1. Welke van de onderstaande regels is een secundaire regel?
a. Art. 3 Opiumwet.
b. Art. 289 Wetboek van Strafrecht.
c. Art. 29 lid 2 Wetboek van Strafvordering.
d. De buitenspelregel in de voetbalsport.
2. Welke stelling is juist?
De natuurstaat is volgens de 17de en 18de eeuwse politieke filosofen
a. de ideale toestand, waarin de wereld verkeerde, toen er nog geen mensen waren;
b. een utopische ideale staatsvorm, die met alle macht moet worden nagestreefd;
c. de politieke samenlevingsvorm, die historisch aan de huidige, moderne politieke samenleving
voorafging;
d. een fictieve situatie, die dient ter legitimatie van de huidige burgerlijke samenleving.
3. Welke stelling is NIET juist?
a. Recht en moraal overlappen elkaar voor een deel.
b. Immoreel recht kan geen gelding bezitten.
c. Recht is een geïnstitutionaliseerd systeem.
d. Eén van de functies van het recht is het realiseren van collectieve doeleinden.
4. Art. 2 lid 1 Zorgverzekeringswet luidt als volgt: “Degene die ingevolgde de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten en de daarop gebaseerde regelgeving van rechtswege verzekerd is, is verplicht zich
krachtens een zorgverzekering te verzekeren of te laten verzekeren tegen het in artikel 10 bedoelde
risico”. Op welke van de drie door Soeteman genoemde functies van het recht is deze regel gebaseerd?
a. Coördinatie van maatschappelijk handelen.
b. Precisering van maatschappelijke moraal.
c. Realiseren van collectieve doeleinden.
VERSIE
A
3
Studentnummer:…………………………………………………………………..
TENTAMEN Inleiding in de Rechtswetenschap
Vrijdag 24 oktober 2014, 08:45 – 11:15 uur
LEES DIT EERST!
Het tentamen bestaat uit in totaal 30 multiple-choicevragen en 3 open vragen, waarvan vraag 2
bestaat uit 2 subvragen.
Dit formulier bevat inclusief het voorblad 13 pagina's. Op de laatste pagina’s is er ruimte om de
antwoorden op de open vragen op te schrijven.
Voor de beantwoording van de multiple-choicevragen krijgt u een mc-antwoordformulier.
- vul op het mc-antwoordformulier uw naam en studentnummer in, en de versie die u maakt (A,
B, C of D).
- het mc-antwoordformulier bij voorkeur met pen invullen, maar niet met de kleur rood.
- correcties aanbrengen mag (zie mc-antwoordformulier), maar vraag een nieuw mc-
antwoordformulier als u veel doorhalingen heeft.
- U dient alles in te leveren, voorzien van uw naam en studentnummer.
Alleen het gebruik van een niet-geannoteerde wetgevingseditie is toegestaan. Het meegebrachte
materiaal kan tijdens het tentamen door een surveillant worden onderzocht. Ook uw identiteit
wordt tijdens het tentamen gecontroleerd. Daartoe dient u uw identiteitsbewijs op de hoek van
uw tafel te leggen. Dat mag een collegekaart, een paspoort of een ander identiteitsbewijs zijn.
Veel succes!
VERSIE A
,Modelantwoorden,
zie
voor
de
antwoorden
op
de
andere
versies
de
transponeringstabel
op
p.
2
ANTWOORDEN MC VRAGEN, versie A, B, C, D
A B C D
1 24 17 10 c
2 25 18 11 d
3 26 19 12 b
4 27 20 13 c
5 28 21 14 c
6 29 22 15 a
7 30 23 16 a
8 1 24 17 d
9 2 25 18 d
10 3 26 19 b
11 4 27 20 b
12 5 28 21 c
13 6 29 22 b
14 7 30 23 a
15 8 1 24 b
16 9 2 25 d
17 10 3 26 a
18 11 4 27 b
19 12 5 28 d
20 13 6 29 d
21 14 7 30 b
22 15 8 1 b
23 16 9 2 a
24 17 10 3 c
25 18 11 4 c
26 19 12 5 a
27 20 13 6 d
28 21 14 7 a
29 22 15 8 b
30 23 16 9 b
VERSIE
A
2
, Modelantwoorden,
zie
voor
de
antwoorden
op
de
andere
versies
de
transponeringstabel
op
p.
2
1. Welke van de onderstaande regels is een secundaire regel?
a. Art. 3 Opiumwet.
b. Art. 289 Wetboek van Strafrecht.
c. Art. 29 lid 2 Wetboek van Strafvordering.
d. De buitenspelregel in de voetbalsport.
2. Welke stelling is juist?
De natuurstaat is volgens de 17de en 18de eeuwse politieke filosofen
a. de ideale toestand, waarin de wereld verkeerde, toen er nog geen mensen waren;
b. een utopische ideale staatsvorm, die met alle macht moet worden nagestreefd;
c. de politieke samenlevingsvorm, die historisch aan de huidige, moderne politieke samenleving
voorafging;
d. een fictieve situatie, die dient ter legitimatie van de huidige burgerlijke samenleving.
3. Welke stelling is NIET juist?
a. Recht en moraal overlappen elkaar voor een deel.
b. Immoreel recht kan geen gelding bezitten.
c. Recht is een geïnstitutionaliseerd systeem.
d. Eén van de functies van het recht is het realiseren van collectieve doeleinden.
4. Art. 2 lid 1 Zorgverzekeringswet luidt als volgt: “Degene die ingevolgde de Algemene Wet Bijzondere
Ziektekosten en de daarop gebaseerde regelgeving van rechtswege verzekerd is, is verplicht zich
krachtens een zorgverzekering te verzekeren of te laten verzekeren tegen het in artikel 10 bedoelde
risico”. Op welke van de drie door Soeteman genoemde functies van het recht is deze regel gebaseerd?
a. Coördinatie van maatschappelijk handelen.
b. Precisering van maatschappelijke moraal.
c. Realiseren van collectieve doeleinden.
VERSIE
A
3