Economie H1 – Praktische economie – havo 3 – Malmberg
Schaarste en ruilen
Productiefactoren = alles wat je nodig hebt om een product of dienst te maken
1. arbeid -> het werken en denken van mensen bij de productie
2. natuur -> alles wat de natuur biedt voor productie (wind, water, grond, grondstof)
3. kapitaal -> goederen die worden ingezet in een productieproces (machines,
gereedschap, auto’s etc…. NB deze zijn zelf ook weer geproduceerd!)
4. ondernemerschap -> hoe de eigenaar 1, 2 en 3 combineert om goed te produceren.
goed(eren) = tastbare product
dienst = niet tastbaar (kappersbeurt, advocaat, bioscoopvoorstelling)
schaarse goederen = goederen die zijn geproduceerd met productiefactoren, waar je een
prijs voor moet betalen (voor koffie in een restaurant heb je water, koffiebonen en een
koffieapparaat nodig → dus schaars)
➔ door schaarste moeten we kiezen, we kunnen de productiefactoren namelijk ook
voor iets anders gebruiken (met het water had je ook je groente kunnen afspoelen en
de ober had ook een boek kunnen lezen)
vrije goederen = goederen die niet geproduceerd zijn met productiefactoren, hoef je niets
voor te betalen (regenbui, wind)
behoeften = wensen die mensen hebben
middelen = dat wat je nodig hebt om aan je behoeften te kunnen voldoen (bv. geld, vrije tijd,
eten etc.)
economie = studie die zich bezighoudt met de vraag: hoe bevredigen mensen hun behoeften
d.m.v. schaarse goederen? Welke keuzes maken zij?
➔ Mensen moeten kiezen welke behoeften ze bevredigen met hun beperkte middelen.
Je kan niet alles kopen! Je hebt niet alle vrije tijd!
2 mogelijkheden om in behoeften te voorzien:
1. zelfvoorziening = eigen brood bakken, eigen huis schoonmaken, eigen kleding maken
2. goederen en diensten (in)kopen = dan ben je consument
consument = iemand die goed/diensten koopt
consumptiegoederen = goed/diensten waarmee consumenten in hun behoefte voorzien
1
Schaarste en ruilen
Productiefactoren = alles wat je nodig hebt om een product of dienst te maken
1. arbeid -> het werken en denken van mensen bij de productie
2. natuur -> alles wat de natuur biedt voor productie (wind, water, grond, grondstof)
3. kapitaal -> goederen die worden ingezet in een productieproces (machines,
gereedschap, auto’s etc…. NB deze zijn zelf ook weer geproduceerd!)
4. ondernemerschap -> hoe de eigenaar 1, 2 en 3 combineert om goed te produceren.
goed(eren) = tastbare product
dienst = niet tastbaar (kappersbeurt, advocaat, bioscoopvoorstelling)
schaarse goederen = goederen die zijn geproduceerd met productiefactoren, waar je een
prijs voor moet betalen (voor koffie in een restaurant heb je water, koffiebonen en een
koffieapparaat nodig → dus schaars)
➔ door schaarste moeten we kiezen, we kunnen de productiefactoren namelijk ook
voor iets anders gebruiken (met het water had je ook je groente kunnen afspoelen en
de ober had ook een boek kunnen lezen)
vrije goederen = goederen die niet geproduceerd zijn met productiefactoren, hoef je niets
voor te betalen (regenbui, wind)
behoeften = wensen die mensen hebben
middelen = dat wat je nodig hebt om aan je behoeften te kunnen voldoen (bv. geld, vrije tijd,
eten etc.)
economie = studie die zich bezighoudt met de vraag: hoe bevredigen mensen hun behoeften
d.m.v. schaarse goederen? Welke keuzes maken zij?
➔ Mensen moeten kiezen welke behoeften ze bevredigen met hun beperkte middelen.
Je kan niet alles kopen! Je hebt niet alle vrije tijd!
2 mogelijkheden om in behoeften te voorzien:
1. zelfvoorziening = eigen brood bakken, eigen huis schoonmaken, eigen kleding maken
2. goederen en diensten (in)kopen = dan ben je consument
consument = iemand die goed/diensten koopt
consumptiegoederen = goed/diensten waarmee consumenten in hun behoefte voorzien
1