Organisme
Thema 1
Van eencelligen naar chordata naar vertebrata. In de taxonomie zijn drie domeinen te
onderscheiden: bacteriën, archaea en eukaryoten (rijken van protisten, schimmels, planten en
dieren). De endosymbiosetheorie (van Lynn Margulis) laat zien hoe vanuit een prokaryoot een
eukaryoot ontstaat.
1. Van eencellig naar meercellig (parazoa). Algen hebben geselecteerd op
groepjesvormende eencellige algen, zodat ze niet meer konden worden opgenomen door
pantoffeldiertjes. Bij meercellige organismen (parazoa) zijn er verschillende celtypes
gedifferentieerd, sponzen zijn meest eenvoudige meercelligen (verschillende soorten
cellen met een taakverdeling).
2. Radiale symmetrie. Van meercellig cluster naar twee weefsellagen (twee kiembladen:
ectoderm, endoderm). Een blastula is een klomp cellen met een holte binnenin (deze
stulpt in, de buitenkant wordt ectoderm, de binnenkant endoderm).
3. Bilaterale symmetrie. Van twee naar drie
weefsellagen (drie kiembladen: ectoderm,
mesoderm, endoderm). Geen lichaamsholte.
4. Ontstaan van pseudocoeloom. Er zit tussen
de darmbuis en het mesoderm een holte,
deze is gevuld met vloeistof. Bij pseudo is
de want van de holte bedekt met mesoderm
maar het endoderm (of darmbuis) zelf niet.
5. Ontstaan van echte lichaamsholte.
Protostomen (mond eerst gevormd),
deuterostomen (anus eerst gevormd).
6. Chordata naar Vertebrate. Ergens in
levensfase: Chorda dorsalis, dorsale centrale
zenuwstreng, kieuwspleten, postanale
staart. Hieruit vormen zich organismen die
wervels en schedels vormen, wanneer dit is
gebeurt behoort het tot de vertebraten. Invertebraten en vertebraten: De complexiteit
van beweging zorgt voor een complexer zenuwstelsel.
,Thema 2
• Endoderm: epitheliale weefsel van de tractus digestivus, lever, longen, blaas
• Mesoderm: bot, spieren, kraakbeen, vetweefsel, beenmerg, lymfe, bloedvaten, hart,
bloedcellen, nieren, ureter.
• Ectoderm: epitheliale weefsels: epitheellaag huid aan de huid verbonden structuren en
klieren, zenuwstelsel.
Nematode, zoogdier: isolecithaal ei → aequale klieving, gelijke klieving (miolecithaal, weinig
dooiermateriaal).
Amfibie: mesolecithaal ei → inaequale klieving, aan de kant van weinig dooiermateriaal veel
klieving (kleinere cellen).
Vogel: telolecithaal ei → discoidale klieving, alleen op een kleine plek deling want er is veel
dooiermateriaal (megalecithaal, veel dooiermateriaal).
Nematode: C. elegans
1e klieving: Geen gelijke klieving, een grote (A)
en kleine (P) cel. Daarna vormen de A cellen
steeds nieuwe A cellen (anterior), de P cel
(posterior) deelt zich en vormt een nieuwe P
(stam)cel en een EMS cel aan de ventrale zijde
(deze deelt in een endoderm- en mesodermcel).
De blastocoel is de ruimte met vocht die zorgt
dat er zorgt dat er beweging mogelijk is (in het
blastula stadium). De cellen gaan naar binnen en
er wordt een blastoporus gevormd (oermond).
Via de ventrale kant migreren er
cellen in de blastocoel en
vormen de darmbuis. Daarna
volgen de mesoderm cellen, deze
zullen links en rechts naast de
darmbuis komen te liggen. Na
ongeveer zes uur zal er epiboly plaatsvinden en zal het ectoderm de blastoporus afsluiten.
Omdat de lichaamsholte niet helemaal bekleed is met mesoderm heet dit een pseudocoeloom.
Amfibie:
Er vormen zich micromeren
(kleine en meer cellen, animale
kant toekomstig ectoderm) en
macromeren (grote en minder
cellen, vegetatieve kant
toekomstig endoderm en
mesoderm). Tussen die cellen
ontstaat ook een blastocoel. De
marginale zone is de zone waar
de micro- en macromeren
elkaar tegenkomen. Er stromen
cellen naar binnen bij de dorsale
lip (posterior) (notochord en
kop mesoderm), er wordt een
laag mesoderm gelegd (migreert als plaat cellen) met daartegenaan endoderm (dit heet
, archenteron / oerdarm). De blastocoel wordt verdrongen en uiteindelijk verwijderd. Het
notochord ligt aan de dorsale zijde. Daarnaast het somiet en het laterale plaatmesoderm
(splanchnisch blad om de darmbuis en het somatisch blad tegen het ectoderm). Het laatste stukje
endoderm dat nog ‘naar buiten kijkt’ heet de yolk plug. BMP4 zorgt dat het mesoderm in
ventrale richting differentieert. De dorsale lip heet de organizer en scheidt dorsalizing factors
(bindt aan BMP4 en inhibeert het) uit, dit zorgt voor de differentiatie van het mesoderm in
dorsale richting.
Vogel:
Op 1 plek kunnen de cellen delen
(blastodisc). Er komt een ruimte tussen het
dooiermateriaal en een laag cellen die
kunnen delen (subgerminale ruimte). Uit de
epiblast vallen cellen naar beneden, en
worden opgevangen door een rij groeiende
cellen, de hypoblast. Zo wordt een
blastocoel gevormd tussen de hypoblast
(cellen voor externe membranen) en
epiblast (vormen endoderm, mesoderm en
ectoderm). Aan het posterior van het
embryo proliferen de epiblast cellen en
duiken op een gegeven moment naar
binnen, hier ontstaat de primitief groeve
met Hensen’s knoop (organizer). Hierdoor
wordt de hypoblast weggeduwd en er
ontstaat een nieuwe endoderm. De cellen
die daarna naar binnen worden geduwd
vormen het mesoderm. De cellen
migreren individueel van de dorsale kant
naar de ventrale kant. Het platte embryo
zal zich krommen zodat er een
cilindervormig embryo ontstaat. Tijdens
dit proces vindt er epiboly van de
ectoderm cellen plaats.
Zoogdier: Mens
Een eicel heeft een zona pellucida die
ervoor zorgt dat het niet wordt
aangevallen door de moeder. In het
klompje zijn twee lagen te
onderscheiden, hypoblast (tegen
blastocoel, vormt geen embryonale
cellen) en epiblast (embryonale cellen).
Trofoblast cellen vormen het deel van de
placenta van het embryo. In de epiblast
ontstaat nog een holte, de amnionholte
(vruchtwater). De hypoblastcellen
bekleden de hele blastocoel en vormen de
dooierzak. Epiblast cellen proliferen,
botsen en gaan naar binnen bij de primitief groeve aan de posterior kant. De hypoblast worden
Thema 1
Van eencelligen naar chordata naar vertebrata. In de taxonomie zijn drie domeinen te
onderscheiden: bacteriën, archaea en eukaryoten (rijken van protisten, schimmels, planten en
dieren). De endosymbiosetheorie (van Lynn Margulis) laat zien hoe vanuit een prokaryoot een
eukaryoot ontstaat.
1. Van eencellig naar meercellig (parazoa). Algen hebben geselecteerd op
groepjesvormende eencellige algen, zodat ze niet meer konden worden opgenomen door
pantoffeldiertjes. Bij meercellige organismen (parazoa) zijn er verschillende celtypes
gedifferentieerd, sponzen zijn meest eenvoudige meercelligen (verschillende soorten
cellen met een taakverdeling).
2. Radiale symmetrie. Van meercellig cluster naar twee weefsellagen (twee kiembladen:
ectoderm, endoderm). Een blastula is een klomp cellen met een holte binnenin (deze
stulpt in, de buitenkant wordt ectoderm, de binnenkant endoderm).
3. Bilaterale symmetrie. Van twee naar drie
weefsellagen (drie kiembladen: ectoderm,
mesoderm, endoderm). Geen lichaamsholte.
4. Ontstaan van pseudocoeloom. Er zit tussen
de darmbuis en het mesoderm een holte,
deze is gevuld met vloeistof. Bij pseudo is
de want van de holte bedekt met mesoderm
maar het endoderm (of darmbuis) zelf niet.
5. Ontstaan van echte lichaamsholte.
Protostomen (mond eerst gevormd),
deuterostomen (anus eerst gevormd).
6. Chordata naar Vertebrate. Ergens in
levensfase: Chorda dorsalis, dorsale centrale
zenuwstreng, kieuwspleten, postanale
staart. Hieruit vormen zich organismen die
wervels en schedels vormen, wanneer dit is
gebeurt behoort het tot de vertebraten. Invertebraten en vertebraten: De complexiteit
van beweging zorgt voor een complexer zenuwstelsel.
,Thema 2
• Endoderm: epitheliale weefsel van de tractus digestivus, lever, longen, blaas
• Mesoderm: bot, spieren, kraakbeen, vetweefsel, beenmerg, lymfe, bloedvaten, hart,
bloedcellen, nieren, ureter.
• Ectoderm: epitheliale weefsels: epitheellaag huid aan de huid verbonden structuren en
klieren, zenuwstelsel.
Nematode, zoogdier: isolecithaal ei → aequale klieving, gelijke klieving (miolecithaal, weinig
dooiermateriaal).
Amfibie: mesolecithaal ei → inaequale klieving, aan de kant van weinig dooiermateriaal veel
klieving (kleinere cellen).
Vogel: telolecithaal ei → discoidale klieving, alleen op een kleine plek deling want er is veel
dooiermateriaal (megalecithaal, veel dooiermateriaal).
Nematode: C. elegans
1e klieving: Geen gelijke klieving, een grote (A)
en kleine (P) cel. Daarna vormen de A cellen
steeds nieuwe A cellen (anterior), de P cel
(posterior) deelt zich en vormt een nieuwe P
(stam)cel en een EMS cel aan de ventrale zijde
(deze deelt in een endoderm- en mesodermcel).
De blastocoel is de ruimte met vocht die zorgt
dat er zorgt dat er beweging mogelijk is (in het
blastula stadium). De cellen gaan naar binnen en
er wordt een blastoporus gevormd (oermond).
Via de ventrale kant migreren er
cellen in de blastocoel en
vormen de darmbuis. Daarna
volgen de mesoderm cellen, deze
zullen links en rechts naast de
darmbuis komen te liggen. Na
ongeveer zes uur zal er epiboly plaatsvinden en zal het ectoderm de blastoporus afsluiten.
Omdat de lichaamsholte niet helemaal bekleed is met mesoderm heet dit een pseudocoeloom.
Amfibie:
Er vormen zich micromeren
(kleine en meer cellen, animale
kant toekomstig ectoderm) en
macromeren (grote en minder
cellen, vegetatieve kant
toekomstig endoderm en
mesoderm). Tussen die cellen
ontstaat ook een blastocoel. De
marginale zone is de zone waar
de micro- en macromeren
elkaar tegenkomen. Er stromen
cellen naar binnen bij de dorsale
lip (posterior) (notochord en
kop mesoderm), er wordt een
laag mesoderm gelegd (migreert als plaat cellen) met daartegenaan endoderm (dit heet
, archenteron / oerdarm). De blastocoel wordt verdrongen en uiteindelijk verwijderd. Het
notochord ligt aan de dorsale zijde. Daarnaast het somiet en het laterale plaatmesoderm
(splanchnisch blad om de darmbuis en het somatisch blad tegen het ectoderm). Het laatste stukje
endoderm dat nog ‘naar buiten kijkt’ heet de yolk plug. BMP4 zorgt dat het mesoderm in
ventrale richting differentieert. De dorsale lip heet de organizer en scheidt dorsalizing factors
(bindt aan BMP4 en inhibeert het) uit, dit zorgt voor de differentiatie van het mesoderm in
dorsale richting.
Vogel:
Op 1 plek kunnen de cellen delen
(blastodisc). Er komt een ruimte tussen het
dooiermateriaal en een laag cellen die
kunnen delen (subgerminale ruimte). Uit de
epiblast vallen cellen naar beneden, en
worden opgevangen door een rij groeiende
cellen, de hypoblast. Zo wordt een
blastocoel gevormd tussen de hypoblast
(cellen voor externe membranen) en
epiblast (vormen endoderm, mesoderm en
ectoderm). Aan het posterior van het
embryo proliferen de epiblast cellen en
duiken op een gegeven moment naar
binnen, hier ontstaat de primitief groeve
met Hensen’s knoop (organizer). Hierdoor
wordt de hypoblast weggeduwd en er
ontstaat een nieuwe endoderm. De cellen
die daarna naar binnen worden geduwd
vormen het mesoderm. De cellen
migreren individueel van de dorsale kant
naar de ventrale kant. Het platte embryo
zal zich krommen zodat er een
cilindervormig embryo ontstaat. Tijdens
dit proces vindt er epiboly van de
ectoderm cellen plaats.
Zoogdier: Mens
Een eicel heeft een zona pellucida die
ervoor zorgt dat het niet wordt
aangevallen door de moeder. In het
klompje zijn twee lagen te
onderscheiden, hypoblast (tegen
blastocoel, vormt geen embryonale
cellen) en epiblast (embryonale cellen).
Trofoblast cellen vormen het deel van de
placenta van het embryo. In de epiblast
ontstaat nog een holte, de amnionholte
(vruchtwater). De hypoblastcellen
bekleden de hele blastocoel en vormen de
dooierzak. Epiblast cellen proliferen,
botsen en gaan naar binnen bij de primitief groeve aan de posterior kant. De hypoblast worden