Blz 19 t/m 33
Hoofdstuk 1: De ontwikkeling van kinderen
Instinct: een aangeboren gedragsmogelijkheid (of vermogen), waartoe mens of
dier vanuit zichzelf wordt aangezet en dat in dienst staat van de overleving van
de soort.
Ontwikkelingspsychologie: Stelt vragen als:
- Wat is ontwikkeling eigenlijk?
- Waarom zou er een ontwikkeling zijn?
- Wat zet de kinderlijke ontwikkeling in gang
- Wat houdt die ontwikkeling vervolgens gaande?
Paradigma’s: ontwikkelingsprincipes en redeneerregels tezamen
Genen: de informatiedragende eenheden in het DNA, verspreid liggend over de
chromosomen. Ze zijn aanwezig in alle cellen van het lichaam. Voor de meeste
eigenschappen is een combinatie van genen nodig.
Aanleg van de soort: Alle kinderen delen dezelfde aanleg. Bijv: rechtop kunnen
gaan lopen of wisselen van tanden.
Aanleg van het individu: Aanleg en erfelijkheid.
Aanleg: Gebeurt ná de bevruchting en vóór de bevalling.
Bijv een moeder die veel drugs of alcohol heeft gebruikt tijdens zwangerschap.
Behavioristen: De kinderen ontwikkelen zich volgens hen naar ervaring en
processen.
Maturisten: Kinderen ontwikkelen zich volgens een natuurlijk plan. Zij hebben al
naargelang hun leeftijd heel eigen vaardigheden, denkwijzen en
gevoelspatronen.
Behaviourisme Maturisme
Aanleg betekent ‘leermogelijkheid’ Aanleg betekent ‘aanwezig
programma’
Prikkel voor ontwikkeling komt van Prikkel voor ontwikkeling komt van
buitenaf binnenuit
Verschillen ontstaan door verschil in Verschillen bestaan door verschil in
omgeving aanleg.
De evocatieve wisselwerking: kind roept al naargelang zijn aanleg in zijn
omgeving bepaalde reacties wel of juist niet op.
De actieve wisselwerking: kind neemt uit de omgeving alleen datgene op wat
aansluit bij zijn aanleg.
De passieve wisselwerking: de omgeving die ouders creëren past bij het kind,
omdat hij genetisch op hen lijkt.
Constructivistische Theorie: er van uitgaan dat een kind voortdurend bezig is
constructies te maken van de werkelijkheid om die op zijn manier te kunnen
begrijpen.
, Fasetheorieën kennen een:
- Kritieke periode: als in en bepaalde rijpingsfase een bepaalde ervaring mist, is
er onherroepelijk schade
- Gevoelige periode: in een bepaalde rijpingsfase is een bepaalde ervaring
optimaal, maar later kan ook nog
Continuïteit: Dit wil zeggen dat daarin een direct verband wordt gelegd tussen
bepaalde eigenschappen in de kindertijd en eigenschappen later.
Individuele voorspellingen zijn moeilijk:
- Onderzoeksresultaten gelden voor een groep
- Gevonden verschillen zijn meestal klein
- Omstandigheden kunnen gunstiger worden
- Het gaat niet om losse, enkelvoudige factoren
- Genetische aanleg is geen statisch gegeven
Verdeling: alle meetresultaten bij elkaar. Als de groep gemeten kinderen groot
genoeg is, heeft die verdeling meestal een klokvorm. Die vorm wordt een
normaalverdeling genoemd. Voor iedere groep is een gemiddelde te
berekenen. Een verdeling heeft niet alleen een gemiddelde, maar ook een
spreiding van de scores, hoe ver de laagste en hoogste score uit elkaar liggen.
9 een veilige basis (boek 1)
Verschil tussen ontwikkeling van motoriek en zelfstandigheid
- Motoriek: vanaf de geboorte gaat een kind rechtlijnig vooruit en wordt
steeds een beetje groter en sterker
- Zelfstandigheid: na de geboorte eerst een verdieping van de
afhankelijkheid en pas in de tweede levensjaar vooruit
Zelfstandigheid
Een zelfstandig mens kan met eigen gevoelsleven overweg en weet ook hoe hij of
zij het sociale contact met andere mensen moet onderhouden.
Om emotioneel en sociaal een zelfstandig wezen te werden, is het zelfs nodig dat
de afhankelijkheid eerst wordt verdiept en bevestigd. In de eerste anderhalf jaar
van hun leven raken kinderen in toenemende mate emotioneel afhankelijk van
één of een paar mensen.
Na een piek van aanhankelijkheid en gehechtheid bij zeventien tot achttien
maanden, zie je pas een langzame, gestage, maar onstuitbare losmaking die leidt
naar zelfstandigheid. We bekijken de ontwikkeling naar zelfstandigheid aan de
hand van hechtingstheorie. Die richt zich specifiek op de eerste twee levensjaren.
Lorenz is een student uit de jaren dertig die ethologie studeerde. Volgens Lorenz
is het dus van levensbelang dat een jong er onmiddellijk na de geboorte
onuitwisbaar van wordt doordrongen wie zijn moeder is en wie hij moet volgend.
Dit proces heet imprinting.
- Een nest ganzen jongen zag het eerst Lorenz benen bewegen, toen zij uit
het ei kwamen. Zo dra zij konden, volgden zij hem overal en toonden hun
aanhankelijkheid aan zijn broekspijpen.
Kritieke of gevoelige perioden (Vroeger zeiden ze kritieke,
tegenwoordig gevoelige perioden)
Bowlby is de grondlegger in de jaren vijftig van de hechtingstheorie, hij is een
Engelse psychiater.
Hoofdstuk 1: De ontwikkeling van kinderen
Instinct: een aangeboren gedragsmogelijkheid (of vermogen), waartoe mens of
dier vanuit zichzelf wordt aangezet en dat in dienst staat van de overleving van
de soort.
Ontwikkelingspsychologie: Stelt vragen als:
- Wat is ontwikkeling eigenlijk?
- Waarom zou er een ontwikkeling zijn?
- Wat zet de kinderlijke ontwikkeling in gang
- Wat houdt die ontwikkeling vervolgens gaande?
Paradigma’s: ontwikkelingsprincipes en redeneerregels tezamen
Genen: de informatiedragende eenheden in het DNA, verspreid liggend over de
chromosomen. Ze zijn aanwezig in alle cellen van het lichaam. Voor de meeste
eigenschappen is een combinatie van genen nodig.
Aanleg van de soort: Alle kinderen delen dezelfde aanleg. Bijv: rechtop kunnen
gaan lopen of wisselen van tanden.
Aanleg van het individu: Aanleg en erfelijkheid.
Aanleg: Gebeurt ná de bevruchting en vóór de bevalling.
Bijv een moeder die veel drugs of alcohol heeft gebruikt tijdens zwangerschap.
Behavioristen: De kinderen ontwikkelen zich volgens hen naar ervaring en
processen.
Maturisten: Kinderen ontwikkelen zich volgens een natuurlijk plan. Zij hebben al
naargelang hun leeftijd heel eigen vaardigheden, denkwijzen en
gevoelspatronen.
Behaviourisme Maturisme
Aanleg betekent ‘leermogelijkheid’ Aanleg betekent ‘aanwezig
programma’
Prikkel voor ontwikkeling komt van Prikkel voor ontwikkeling komt van
buitenaf binnenuit
Verschillen ontstaan door verschil in Verschillen bestaan door verschil in
omgeving aanleg.
De evocatieve wisselwerking: kind roept al naargelang zijn aanleg in zijn
omgeving bepaalde reacties wel of juist niet op.
De actieve wisselwerking: kind neemt uit de omgeving alleen datgene op wat
aansluit bij zijn aanleg.
De passieve wisselwerking: de omgeving die ouders creëren past bij het kind,
omdat hij genetisch op hen lijkt.
Constructivistische Theorie: er van uitgaan dat een kind voortdurend bezig is
constructies te maken van de werkelijkheid om die op zijn manier te kunnen
begrijpen.
, Fasetheorieën kennen een:
- Kritieke periode: als in en bepaalde rijpingsfase een bepaalde ervaring mist, is
er onherroepelijk schade
- Gevoelige periode: in een bepaalde rijpingsfase is een bepaalde ervaring
optimaal, maar later kan ook nog
Continuïteit: Dit wil zeggen dat daarin een direct verband wordt gelegd tussen
bepaalde eigenschappen in de kindertijd en eigenschappen later.
Individuele voorspellingen zijn moeilijk:
- Onderzoeksresultaten gelden voor een groep
- Gevonden verschillen zijn meestal klein
- Omstandigheden kunnen gunstiger worden
- Het gaat niet om losse, enkelvoudige factoren
- Genetische aanleg is geen statisch gegeven
Verdeling: alle meetresultaten bij elkaar. Als de groep gemeten kinderen groot
genoeg is, heeft die verdeling meestal een klokvorm. Die vorm wordt een
normaalverdeling genoemd. Voor iedere groep is een gemiddelde te
berekenen. Een verdeling heeft niet alleen een gemiddelde, maar ook een
spreiding van de scores, hoe ver de laagste en hoogste score uit elkaar liggen.
9 een veilige basis (boek 1)
Verschil tussen ontwikkeling van motoriek en zelfstandigheid
- Motoriek: vanaf de geboorte gaat een kind rechtlijnig vooruit en wordt
steeds een beetje groter en sterker
- Zelfstandigheid: na de geboorte eerst een verdieping van de
afhankelijkheid en pas in de tweede levensjaar vooruit
Zelfstandigheid
Een zelfstandig mens kan met eigen gevoelsleven overweg en weet ook hoe hij of
zij het sociale contact met andere mensen moet onderhouden.
Om emotioneel en sociaal een zelfstandig wezen te werden, is het zelfs nodig dat
de afhankelijkheid eerst wordt verdiept en bevestigd. In de eerste anderhalf jaar
van hun leven raken kinderen in toenemende mate emotioneel afhankelijk van
één of een paar mensen.
Na een piek van aanhankelijkheid en gehechtheid bij zeventien tot achttien
maanden, zie je pas een langzame, gestage, maar onstuitbare losmaking die leidt
naar zelfstandigheid. We bekijken de ontwikkeling naar zelfstandigheid aan de
hand van hechtingstheorie. Die richt zich specifiek op de eerste twee levensjaren.
Lorenz is een student uit de jaren dertig die ethologie studeerde. Volgens Lorenz
is het dus van levensbelang dat een jong er onmiddellijk na de geboorte
onuitwisbaar van wordt doordrongen wie zijn moeder is en wie hij moet volgend.
Dit proces heet imprinting.
- Een nest ganzen jongen zag het eerst Lorenz benen bewegen, toen zij uit
het ei kwamen. Zo dra zij konden, volgden zij hem overal en toonden hun
aanhankelijkheid aan zijn broekspijpen.
Kritieke of gevoelige perioden (Vroeger zeiden ze kritieke,
tegenwoordig gevoelige perioden)
Bowlby is de grondlegger in de jaren vijftig van de hechtingstheorie, hij is een
Engelse psychiater.