Onderdeel A Vocabulaire 20 punten
(1) Vertaal de woordjes naar het Nederlands.
1. Discuter de
2. Arrêter
3. Penser
4. Le légume
5. Fatigué(e)
6. Quelqu’un
7. Le conseil
8. Le bon exemple
9. Désolé(e)
10. Rester en forme
(2) Vertaal de woordjes naar het Frans.
1. Ongezond
2. Je moet, het is nodig
3. Het fruit
4. Sporten
5. Afgaan (van een bel)
6. Ziek
7. Trainen
8. Dat doet zeer
9. Zin hebben om te
10. Weten, (aan)geleerd hebben
Onderdeel B Zinnen 10 punten
(3) Vertaal de zin naar het Frans.
1. Ik eet vijf stuks fruit en groente per dag.
2. Ik ben in topvorm.
3. Ik ken het Franse woord niet.
4. Ja, ik doe aan voetbal vanaf mijn zesde
5. Ik slaap minstens acht uur per nacht.
Wil je de grammatica oefenen, koop
dan het bestand.