Internationaal recht:
Alle betrekkingen met staten onderling.
Staatssoevereiniteit:
De overheid heeft de ultieme beslissingsbevoegdheid op het grondgebied van de staat
en is de enige die wet- en regelgeving kan opstellen.
Andere staten kunnen niet bepalen hoe Nederland zijn regelgeving vormgeeft; deze
macht ligt alleen bij overheid.
Twee manieren beperking: Vrijwillig worden overgedragen of onvrijwillig worden beperkt.
Soevereiniteit overdragen:
De staat kan beslissen om (een gedeelte van) de beslissingsbevoegdheid over te dragen
aan een internationale organisatie.
De staat kan dan niet meer zelf regels stellen, maar accepteert dat een organisatie hoger
en gezaghebbender is dan de staat zelf.
Soevereiniteit onvrijwillig beperkt:
Een land wordt onvrijwillig aangevallen en een ander land neemt de macht over.
Militair ingrijpen, maar ook mandaat van Veiligheidsraad VN.
Internationale organisaties:
Gouvernementele organisaties
Niet-gouvernementele organisaties
Gouvernementele organisatie:
Een samenwerkingsverband tussen staten.
Verdrag: doelstellingen en middelen van organisatie.
Alle staten staan geen soevereiniteit af intergouvernementele organisatie.
Alle staten staan wel beslissingsbevoegdheid af supranationale organisatie.
Non-gouvernementele organisatie:
Een organisatie die onafhankelijk is van staten en heeft vaak een ideële doelstelling.
Niet per sé internationaal.
Voorbeeld: Rode Kruis, Amnesty International, WNF.
Adviserende rol en geen stemrecht.
Europese Unie:
Supranationale organisatie
Organisatie kan regels opleggen aan de lidstaten door afstaan beslissingsbevoegdheid.
Twee verdragen: VEU & VWEU
Belangrijkste doelstellingen EU:
Vrede en welzijn
Vrijheid en veiligheid
Interne markt
, Monetaire unie
Externe mensenrechtenbeleid
Vrede en welzijn:
Eventuele conflicten tussen lidstaten worden binnen de EU op diplomatieke wijze
opgelost, waardoor er in Europa geen oorlog meer is.
Lidstaten zijn economisch afhankelijk van elkaar.
Vrijheid en veiligheid:
Burgers van de EU mogen over het algemeen in alle lidstaten verblijven om te werken,
studeren of te genieten van pensioen.
Vrij verkeer van personen.
Interne markt:
Interne markt maakt het mogelijk om steeds meer te handelen tussen bedrijven die in
lidstaten zijn bevestigd.
Eén Europese markt.
Monetaire Unie:
Een gemeenschappelijke munt brengt de lidstaten nog dichter bij elkaar.
Europese Centrale Bank
Externe mensenrechtenbeleid:
De EU heeft in art. 2 VEU een belangrijke plaats ingeruimd voor bescherming van
mensenrechten.
Grondslag voor mogelijkheid Hof om te oordelen over schendingen van mensenrechten.
Onderdelen interne markt:
Vrij verkeer
Staatssteun
Mededinging
Vrij verkeer:
Het beginsel van vrij verkeer betekent dat de handelsstroom tussen lidstaten niet
belemmerd mag worden.
Een lidstaat kan niet verbieden dat een product uit een ander lidstaat verkocht wordt.
Staatssteun:
De overheid kan subsidies verstrekken aan nationale producenten, waardoor de prijzen
van producten gelijkwaardig worden met de buitenlandse producten.
Niet zomaar toegestaan omdat het de interne markt kan schaden en oneerlijke
concurrentie veroorzaakt.
Mededinging:
Bedrijven kunnen de interne markt ook verstoren d.m.v. prijsafspraken.
Hierdoor is kartelvorming verboden in EU.
, Voordelen interne markt:
Het welvaartsniveau zal stijgen
Bedrijven kunnen gemakkelijker over de grens handel drijven door open grenzen.
De afzetmarkt wordt groter, waardoor meer economische activiteit mogelijk is.
Uitbreiding van keuzemogelijkheden.
Interne markt zorgt voor prijsdalingen, wat gunstig is voor consument.
Nadelen interne markt:
Meer concurrentie voor bedrijven met andere buitenlandse bedrijven.
Verplaatsen van productie naar lidstaten met een lager loonniveau. Nederlandse
medewerkers ontslagen, omdat de fabriek elders goedkoper kan produceren.
Interne markt leidt tot specialisatie. Productie vindt vooral plaats in lagelonenlanden.
Nederland ontwikkelt zich alleen als kenniseconomie en is dus afhankelijk van andere
landen als het om productie gaat.
Basisbeginselen EU:
Loyale samenwerking
Attributiebeginsel
Subsidiariteitsbeginsel
Evenredigheidsbeginsel
Gelijkheidsbeginsel
Loyaliteitsbeginsel:
Lidstaten doen niets wat strijdig is met het verdrag en voeren trouw aan alle
verplichtingen die uit het Europees recht voortvloeien.
Voorbeeld: Nederland mag geen wet aannemen die het vrij verkeer van goederen
belemmert.
Art. 4 lid 3 VEU
Attributiebeginsel:
De EU is alleen bevoegd als daarvoor een grondslag bestaat in het verdrag.
Voorbeeld: Art. 38 VwEU geeft de EU de mogelijkheid om beleid op het gebied van
landbouw te ontwikkelen.
Art. 5 lid 2 VEU
Subsidiariteitsbeginsel:
De lidstaten bepalen zo veel mogelijk zelf. Pas als het beter gezamenlijk geregeld kan
worden, is de EU bevoegd.
Voorbeeld: Het effect van regels tegen luchtverontreiniging is groter als de EU deze
opstelt, dan als alleen Nederland dit doet.
Art. 5 lid 3 VEU
Evenredigheidsbeginsel:
Voor het bereiken van een doel moet altijd het minst ingrijpende middel gekozen worden.
Voorbeeld: De Nederlandse overheid mag een product niet verbieden, maar mag wel
verplichten dat er een waarschuwing op het etiket komt.
Art. 5 lid 4 VEU