Samenvatting hoofdstuk 4: les 18 en 19
Les 18 – Offer
Voor je iets aan het orakel mocht vragen moest je offeren. Aan alle goden werd bij diverse
gelegenheden geofferd, maar wat ze kregen verschilde per god. Het offer was vaak iets
eetbaars. Zoals graan, groente, vruchten, melk kaas honing en olie en aan het begin zelfs gras
en wortels. Hogere goden kregen vaak dierenvlees. Hierbij werden de minst eetbare dingen
op het altaar verbrand terwijl er wijn in de vlammen werd gegoten en at het volk de eetbare
dingen. Voor Hera werd door de dierenoffers vaak het woord ‘geitenetend’ gebruikt en naast
persoonlijke offers waren er ook staatsoffers. Bijvoorbeeld een εκατομβη (hekatompedon)
met 100 runderen. Er waren ook ‘plengoffers’ met iets vloeibaars
Afhankelijk van de lokale traditie, gelegenheid of de god voor wie het was werd er een ritueel
uitgevoerd. Zoals een dierenhaar in het vuur gooien of het ritueel handen wassen van de
priester. Offerdieren moesten perfect zijn zodat ze passen bij de god, mannelijke offers voor
mannelijke goden en vrouwelijke offers voor godinnen. Witte voor hemelse goden en zwarte
voor goden van de onderwereld.
Bij grote of belangrijke tempels waren er meer priesters of assistenten. Bijvoorbeeld van
openbare aankondigers, plengers om wijn uit te gieten of toezichthouder. De priester en zijn
staf bewaken het heiligdom houden het schoon en doen de rituele reinigen van de
bezoekers. Deze bezoekers kwamen zelf niet in de tempel die bestond uit één centrale
ruimte, ναος, met zuilen eromheen en een beeld van de god. Mensen geloofden dat ze er
niet in mochten omdat deze plek de woonplaats was van de god.