Verplichte lesstof:
- Collegestof.
- Boek mediapsychologie
- Artikelen/linken op MijnHva vvanaf +- les 3) !!
- Tentamen: open vragen. 40 vragen.
- Filmpjes ook goed kijken! Kunnen ook vragen over komen
de informatie die in de les oordt behandeld is het belangrijkst !!!! hier moet je de focus op leggen,
voornamelijk de experimenten.
De experimenten in het boek hoef je niet echt te weten, wel echt de experimenten die in de
lessen zijn behandeld.
Werkcollege 1:
Psychologie:
Psychologie bestudeert het menselijk gedrag dat vertoond wordt in een bepaalde sociale omgeving.
Wat is gedrag?
- Waarneembaar vworden bijv. kinderen agressiever als zij naar geweld kijken op geweld, gaan
ze bijv slaan v= opbserveerbaar).
- Niet waarneembaar gedrag. vals kinderen bijv. zeggen dat ze verdrietig worden door geweld
op tv, dat is een gevoel en niet waarneembaar).
Sociale psychologie:
Sociale psychologie is de invloed van de sociale omgeving op individuen.
Functieleer:
Menselijke mogelijkheden: waarnemen, leren, geheugen en gevoelend.
Een paar experimenten:
Solomon Asch is een sociale psycholoog en heef onderzocht hoe ver mensen gaan met zich
conformeren vaanpassen aan de maatschappelijke norm). Hieruit bleek dat mensen zich heel snel
aanpassen naar wat de meerderheid van een groep doet/zegt.
Milgram experiment: ging erover hoe ver mensen gaan wanneer hen iets wordt gevraagd door bijv.
de regering. Hij liet iemand vragen beantwoorden en als het fout was kreeg een andere persoon een
elektrische schok. Het bleek dat vomdat de onderzoeker het vroeg) de man doorging, terwijl het
eigenlijk heel fout is om te doen. Iemand veen willekeurig persoon) was bereid om schokken toe te
dienen aan iemand die dodelijk zouden kunnen zijn, omdat een man in een wite jas het aan hem
vraagt. Mensen volgen een autoriteit, omdat mensen snel iets doen als ze denken dat iemand
deskundig is vdie zal het wel weten).
In de Abu Graib gevangenis werden mensen mishandeld door bewakers vfink mishandeld), omdat de
autoriteiten deze mensen hadden vastgezet, waardoor het blijkbaar mocht.
Stanford Prison experiment door Philip Zimbardo: mensen kregen een rol toegewezen vfake) de ene
groep was bewaker en de andere gevangene en deze rol moesten ze een paar weken aanhouden.
,Het bleek dat mensen deze rol zich daadwerkelijk naar deze rol gingen gedragen. Bewakers werden
sadistisch en gevangenen werden bang en wisten niet meer hoe ze zich moesten gedragen.
- Hier is ook een flm over gemaakt, interessant!.
- Het onderzoek heef met autoriteit te maken en cogniviteit.
- Onderzoekstypen = experiment.
Verschil sociale psychologie en mediapshychologie:
- Beïnvloeding door omgeving /. Sociale psychologie
- Beïnvloeding door media . mediapsychologie vtoegepaste psychologie)
Defnitie mediapshychologie:
Mediapsychologie = de studie van cognitieve v= kennis), afectieve en automatische verwerking van
media informatie en van de mediapconsumptie.
Dus: hoe neem je kennis tot je na het gebruiken van media/tijdens het gebruiken van media.
Belangstelling voor media:
- 1950: fl en tv in het onderwijs
- 1957:reclame
- 1960: geweld op TV
- 1970: TV nieuws
- 1980: entertainment
- 1990: Nieuwe media.
Wetenschap
Mediapshychologie is een wetesnschap: de werkelijkheid wordt systematisch in kaart gebracht.
Begrippen kader:
- Correlatie vverband): er is een verband tussen twee variabelen.
o Bijv. kinderen kijken naar tv geweld en worden agressiever. – er zit een verband
tussen, maar het leidt niet tot elkaar.
- Causaliteit voorzaak & gevolg): je hebt iets, en dat leidt altijd tot dit.
Correlatie: (begrip moet je oeten$
Correlatie = een verandering binnen de ene variabele gaat gepaard met een verandering in de andere
variabele.
- Bijv. Mensen die veel naar agressieve muziekteksten luisteren, hebben die dan ook meer
agressieve gedachten. vis er een correlatie daartussen, is er een verband)
Positieve en negatieve correlatie:
Positieve correlatie = toename van geweld in games gaat gepaard met een toename agressieve
gedachten. Maar ook een afnamge gaat gepaard met een afname.
- Dus toename gaat gepaard met toename, afname gaat gepaard met afname.
Negatieve correlatie = toename geweld in games gaat gepaard met een afname van agressieve
gedachten.
, - Dus een toename gaat gepaard met een afname.
Er is een verband, maar het hoef niet per se de oorzaak te zijn. Kinderen worden bijv. agressiever
van games, maar het kan zijn dat dat kind net uit een heel ongelukkig gezin komt. De game speelt
dan wel mee, maar is misschien niet de hoofdzakelijke oorzaak. Er is dan gewoon een verband.
Causaliteit: begrip moet je oeten
Er is sprake van een causaliteit voorzakelijk verband, het komt dius echt door iets specifek. Bijv.
toename games) ALS: vje moet dus eigenlijk eerst een correlatie hebben voor je causaliteit hebt)
1. Er een correlatie bestaat tussen variableen A en B.
2. Variabele A invloed heef op B maar niet omgekeerd.
a. Bijv. 20 glazen jenever is de oorzaak van dronkenschap. Dronkenschap is NIET de
oorzaak van 20 glazen jenever.
3. Er mogen geen alternatieve verklaringen bestaan voor de relatie tussen A en B.
Je moet de bovenstaande 3 punten hebben om een causaliteit te hebben.
Onderzoek naar respons op drie niveaus:
1. Hoe mensen denken vcognitieve respons)
2. Wat zes voelen: vafectieve respons)
3. Wat ze doen: vgedragsmatige respons).
Bijv. de ah bonuskaart. Mensen krijgen de bonuskaart, vidnen dat leuk, en halen meteen extra. vje
krijgt toch korting etc).
Twee typen variabelen spelen ene rol bij onderzoek:
- Onafankelijken variabelen
- Afankelijke variabelen.
Onafhankelijke variabelen:
Onafankelijke variabelen hebben invloed op de response.
- Onafankelijke variabelen zijn oorzaak variabelen.
- Oorzaak variabelen vonafankelijke variabelen) zijn persoonsvariabelen valles wat met een
persoon te maken heef, lengte, sekse etc). situationele variabelen of een combinatie
daarvan. veen bepaalde reclaem of een voetbalwedstrijd).
Simpel samengevat: we hebben een groep en een situatie.
Afhankelijke variabelen:
Afankelijke variabelen laten zien wat voor invloed iets heef op gedrag, emoties en gedragingen.
- Afankelijke variabelen zijn gevolg variabelen.
Bijv. een groep vpersoonsvariabelen) kijkt een flm vsituationele variabelen) en iedereen gaat huilen
vafankelijke variabelen), want de flm is erg zielig.
Je hebt dus eerst onafankelijke variabelen veen groep en situatie) en vervolgens afankelijke
variabelen vbepaald gedrag, emoties en gedragingen – gevolg).