Week 1:
De kinderweten die in 1905 intraden kende verschillende soooorten weten. Welk van deze weten had
als inhooud dat beide oouders de macht oover het kind kregen en dat de ooverheid koon ingrijpen in de
oopvooeding van oouders?
a. De strafrechtelijke kinderwet
b. De beginselenwet voooor de kinderbescherming
c. De burgerlijke kinderwet
d. De kinderbeginselenwet
(Antwoord= C, staat in hoofdstuk 2 van het boek jeugdstrafrecht)
Wat hooudt te paradoox van het strafrecht in?
De paradox van het strafrecht houdt in dat de absolute en de relateve strafheorie elkaar nodig
hebben. Zo zullen de voorstanders van de relateve strafheorie terugvallen op het feit dat straf schuld
vereist wanneer het om de veroordeling van minderjarigen aankomt. Omgekeerd zullen absolute
strafheoretci realiseren dat het vergeldingsdenken met zijn aandacht voor de schuldvraag en de
proportonaliteit weinig houvast geef wat betref het doel van strafen.
Week 2:
De verdragsrechten van het Internatoonaal erdrag voooor de Rechten van het Kind (I RK) kunnen
inhooudelijk oop verschillende manieren woorden gecategooriseerd woorden. Eén manier van indelen is
een indeling uitgaande van de vier P’s. Wat hooudt de categoorie proovisioon in?
a. De bescherming van kinderen tegen bijv. mishandeling en detente
b. oooorzieningen die getroofen woorden ten behooeve van kinderen, bijv. het recht oop soociale
zekerheid
c. Deze categoorie heef betrekking oop alle rechten vermeld in het I RK
d. De partcipate van kinderen, bijv. het recht oom te woorden gehoooord in elke proocedure die het
kind aangaat.
In 1991 heef het coomité vier algemene beginselen vastgesteld. Nooem deze beginselen.
Antwoord (te vinden in hoofdstuk 7):
1. Het non-discriminatebeginsel
2. Het belang van het kind in de eerste overweging
3. Het recht op leven en ontwikkeling
4. Het recht om te worden gehoord
(Antwoord= B, staat in hoofdstuk 7 van het boek jeugdstrafrecht)
Week 3
In hoooofdstuk 6 woordt ingegaan oop de maatregelen die de kinderrechter in kan vooeren wanneer een
jeugdige ernstg in zijn oontwikkeling woordt bedreigd en een kinderbeschermingsmaatregel
noooodzakelijk woordt geacht. Bij welk van oonderstaande maatregelen is er geen sprake van een
beperking van het gezag van oouders?
a. Een voooorloopige oondertooezichtstelling ( OTS)