PARAGRAAF 1
Eisprong/ovulatie: Eicel komt vrij van een van de eierstokken, eicel komt in eileider. Als je tijdens deze
periode seks hebt, dan kan dit leiden tot zwangerschap.
Zaadlozing: zaadcellen komen vrij, vagina via de baarmoeder naar de eileiders. Eén zaadcel bereikt het
celmembraan van de eicel. Het celmembraan van de zaadcel versmelt met de eicel. Alleen de kern van
de zaadcel gaat de eicel binnen -> bevruchting voltooid -> zygote (laag tussen het celmembraan en het
bevruchtingsmembraan) Na 30 uur is de eerste deling -> embryo. Na de mitose maken deze cellen geen
cytoplasma bij, zodat de cellen kleiner worden.
Klievingsdeling: Deling waarbij de cellen niet groeien.
Vanaf 8 weken heet het embryo foetus
Innesteling: vlokken groeien in het baarmoederslijmvlies
Placenta: uitwisseling van voedingstoffen (bloedomlopen zijn gescheiden!)
De navelstreng verbindt de embryo en de placenta;
Vruchtvliezen en vruchtwater beschermt de foetus
Secundaire geslachtskenmerken: lichamelijke kenmerken die ontwikkelen in de puberteit
Tertiaire geslachtskenmerken: geestelijke kenmerken die ontwikkelen in de puberteit
Incest: ongewenste intimiteit van een familielid
Aanranding: als iemand je dwingt tot het ondergaan van een handeling
PARAGRAAF 2
Een lichaamscel bevat 46 chromosomen, ze zijn diploïd (2n). Een van je chromosomen is van je moeder
ander van je vader, heeft informatie over erfelijke eigenschappen.
Geslachtscellen zijn haploïd (1n). De deling die het chromosomenaantal halveert heet de meiose of de
reductiedeling. Eerst wordt het DNA verdubbeld in de 2n cel. Meiose I sorteert de diploïde cel in paren.
Dan gaan alle chromosoomparen uit elkaar en dat wordt dan 2 haploïde cellen. Elk met 23
chromosomen. Dan volgt meiose II dan gaan de chromatiden uit elkaar. Dat levert dan 4 haploïde cellen
op.
Twee-eiige tweeling: Wanneer elk van beide eicellen met een zaadcel versmelt
Eeneiige tweeling: Ontstaat uit 1 eicel