12.1: Mensen geven voorkeur aan hun eigen groep
Volgens de social brain hypothesis hebben primaten grotere hersenen (vooral grotere
prefrontale cortex), omdat ze in dynamische en complexe sociale groepen leven. Om
een goed groepslid te zijn, is het nodig om complexe en subtiele sociale regels te
begrijpen, herkennen wanneer gedrag iemand anders beledigt en behoeftes te
onderdrukken die groepsnormen kunnen overschrijden.
Social brain hypothesis: het grootste deel van de
hersenschors bestaat uit de buitenste laag, bekend als de
neocortex. Volgens de sociale hersen hypothese is de grootte
van de standaard sociale groep van een primaten gerelateerd
aan het volume van de neocortex van die soort. Hier,
vertegenwoordigt elke open cirkel een soort binnen de
apenfamilie en elke dichte cirkel vertegenwoordigt een soort
binnen de mensapenfamilie. In termen van neocortex;
mensapen kunnen op een aparte lijn liggen van apen omdat ze meer cognitieve
middelen nodig hebben om groepsleven te ondersteunen. Mensen zijn het hoogtepunt
van de mensaap in termen van neocortex en gemiddelde groepsgrootte.
Mensen behoren tot verschillende sociale groepen, zoals een sportteam, een familie, of
een nationaliteit. De groep waartoe je behoort is de ingroup, de groep waar je niet tot
behoort is de outgroup. Voor groepsvorming spelen reciprocity (wederkerigheid; als jij
iets voor iemand doet, doet de ander ook iets voor jou) en transivity (het delen van
meningen over anderen met je vrienden) een rol. Deze twee zijn genoeg om ingroup en
outgroup te vormen. Na deze categorisatie zullen mensen groepsleden op een bepaalde
manier behandelen.
Outgroup homogeneity effect: de neiging om outgroup leden als minder gevarieerd te
zien dan ingroup leden.
Social identity theory (sociale identiteitstheorie): het idee dat ingroups bestaan uit
individuen die zichzelf zien als leden van dezelfde sociale categorie en trots ervaren als
gevolg van dit groepslidmaatschap.
Jezelf definiëren aan de hand van een groepsstatus maakt deel uit van je sociale
identiteit.
Ingroup favoritism: de neiging om leden van de ingroup gunstiger te behandelen dan de
outgroup.
De kracht van groepslidmaatschap is zo sterk dat mensen blijk geven van ingroup-
voorkeur, zelfs als het verschil tussen de groepen willekeurig is. De minimal group
paradigm omvat dat zelfs wanneer mensen op basis van willekeurige zaken worden
ingedeeld in groepen, er ingroup favoritism plaatsvindt. Waarom geven mensen voorkeur
aan eigen groep?
o Mensen die samenwerken onmiddellijk binnen een groep te houden en middelen
om zeggen aan leden van de outgroup, hebben een selectief voordeel ten
opzichte van de genen die bereid zijn deze met de outgroup te delen.
o Groepslidmaatschap is zo belangrijk voor mensen dat men bereid is om mensen
in outgroup pijn te doen als een manier om aan te geven hoe belangrijk de
mensen van de eigen groep (ingroup) voor ons zijn. De mediale prefrontale cortex
in de hersenen is belangrijk voor het denken over andere mensen en activiteit in