H7 & H10
Hoofdstuk 7: Stoffen en stofeigenschappen
● Vaste stof: vaste vorm en vast volume
● Vloeistof: alleen vast volume
● Gas: geen van beide
Hoe groter de atoommassa, hoe groter de dichtheid.
- Bij metalen: hoe groter de atoommassa, hoe groter de dichtheid, hoe kleiner de
soortelijke warmte.
Tkelvin = Tcelsius + 273,15
Bij het toevoeren van warmte neemt de inwendige energie toe
Bij temperatuurverhoging neemt de kinetische energie toe
Bij faseovergangen neemt de potentiële energie toe
Q = c x m x ΔT
Q = warmte die nodig is om een stof te verwarmen in J
c = soortelijke warmte in J per Kg per K
m = massa in kg
ΔT = temperatuurverschil in K
- Bij afkoeling gebruik je dezelfde formule
Q = rs x m
Q = rv x m
Q = warmte die nodig is om een stof te smelten of te verdampen in J
rs = smeltwarmte in J per Kg
rv = verdampingswarmte in J per Kg
m = massa in Kg
Warmte (vorm van energie) verplaatst zich spontaan van een hoge temperatuur naar een
lage temperatuur. Er geldt: Qop = Qaf in Joule.
Er zijn 3 vormen van warmtetransport:
1. Straling → tegenhouden met glimmende lagen
2. Geleiding → tegenhouden met isolerende materialen
3. Stroming / convectie → tegenhouden door onverplaatsbare lucht of vloeistof
P = λ x A x (ΔT / d)
P = warmtestroom in Watt per seconde
λ = warmtegeleidingscoëfficiënt in Watt per meter per Kelvin
A = de oppervlakte in m²
d = dikte in meter