Allelen: verschillende varianten die er in een gen kunnen voorkomen
Basenparing: A (adenine) met T (thymine) en G (guanine) met C (cytosine)
Centromeer: op deze plek worden de verbindingen in het DNA nog niet verbroken
Codon: voor de code van één aminozuur zijn drie opeenvolgorde nucleotden nodig
Complementair DNA (copyDNA): bevat alleen het gen dat men wil isoleren
DNA- polymerase: enzym dat langs een enkelvoudige keten schuif en verbindt nucleotden van vrijgekomen
basen in DNA-moleculen
DNA-replicate: vindt plaats in de S-fase van de celcyclus (hierdoor krijgen dochtercellen bij mitose hetzelfde
DNA als de moedercel waaruit ze zijn ontstaan
Epigenetca: houdt zich bezig met het bestuderen van omkeerbare veranderingen in de actviteit van genen, die
niet het gevolg zijn van veranderingen in de nucleotde volgorde van het DNA
Epigenetsche invloeden: invloeden die de werking van genen beïnvloedt
Gen: bevat informate voor de synthese van een of meer eiwiten
Genetsche code: de vertaling van de nucleotde volgorde in NA naar aminozuren
Genetsche modifcate: een organisme krijgt eigenschappen die het van natuur niet bezit
Genexpressie: wanneer een gen aan staat, wordt de informate van het DNA overgeschreven naar het NA en
vertalen de ribosomen de informate op het NA en een eiwit
Genoom: geheel aan erfelijke informate in en cel van een organisme