Cultuur is de kennis, ervaring, opvattingen, normen en waarden die een groepering deelt.
Enculturatie: het aanleren van een cultuur.
Hogere cultuur: cultuur van de klassieken.
Cultural Capital: beheersing van culturele competenties die horen bij hoge sociale posities.
Civilisatieproces: proces waarin de westerse samenleving in de loop der eeuwen meer
verfijnde en gevarieerde gedragsregels ontwikkelde.
De belangrijkste veranderingsprocessen van de Nederlandse cultuur in het kader van
modernisering zijn:
- secularisering: minder invloed van godsdienst;
- Individualisering: grotere vrijheid om los van groep verbindingen zelf beslissingen te
nemen;
- Democratisering: gelijkwaardige verhoudingen;
- Emancipatie: (machts)gelijkheid tussen mannen en vrouwen.
6 grondwaarden van de westerse cultuur:
1. geloof in de toekomst;
2. gelijkheid;
3. rede en redelijkheid;
4. universaliteit;
5. individualiteit;
6. rechtvaardigheid.
6 tegenwaarden uit de premoderne tijd:
1. eerbied voor het verleden;
2. hiërarchie;
3. traditie;
4. particularisme;
5. collectiviteit;
6. privileges.
Cultuurrelativisme: andere culturen als gelijkwaardig beschouwen.
Etnocentrisme: onze gewoontes zijn normaal, andere culturen zijn vreemd.
Subcultuur: als op bepaalde punten van de dominante cultuur wordt afgeweken.
Contracultuur: groep die zich afzet tegen de dominante cultuur.
Acculturatie: na vorming met eigen cultuur, alsnog een vreemde (sub)cultuur of element
daarvan overnemen.
Hoofdstuk 6. Sociale ongelijkheid (gender)
Je plaats in de sociale structuur van de samenleving heeft ook grote invloed op andere
aspecten van je leven: je kansen in het onderwijs, op een goed huis, om met vakantie te
kunnen gaan, etc. Bij sociale ongelijkheid onderscheiden we groeperingen mensen die ten
opzichte van elkaar een andere sociale positie innemen, en die daardoor ook in een andere
situatie verkeren en andere mogelijkheden hebben. In het kort kunnen we zeggen het
verschil in macht tussen sociale posities. De sociale structuur van onze samenleving wordt
gekenmerkt door sociale ongelijkheid. Naast de machtsongelijkheid als gevolg van sociale
Sociologie voor in de praktijk - H3, 6, 7 & 10
1
, ongelijkheid, is er diversiteit die voortkomt uit het verschil in identiteit van mensen.
Bij sociaaleconomische ongelijkheid wordt vaak gesproken over hogere en lagere sociale
lagen of klassen. Maar bij sociale ongelijkheid kan ook gedacht worden aan sekse, etniciteit
of leeftijd.
In de standenmaatschappij hadden de verschillende groeperingen meer of minder sociaal
aanzien en meer of minder privileges. De sociale scheiding tussen de standen was groot. De
standenmaatschappij werd geregeerd door een kleine groepering, de aristocratie. Het was
een regering van mensen met vermogen en een rijke afkomst.
Tegenwoordig ligt de nadruk op gelijkheid, dit noemen we egalitarisme. Dat neemt niet weg
dat er nog wel statusverschillen tussen groeperingen zijn.
Standen en kasten zijn voorbeelden van een vorm van een niet-flexibele sociale
gelaagdheid. Bij klassentegenstellingen gaat het om sociale posities en is er weliswaar
sprake van meer dynamiek, maar nog steeds gaat het om onverenigbare tegenstellingen.
Sociale stratificatie is het indelen van groepen mensen in maatschappelijke lagen,
waartussen een ongelijkheid verhouding bestaat. Hierbij wordt sociale ongelijkheid
vereenvoudigd door de maatschappij in slechts enkele sociale klassen te verdelen. Een
veelgebruikte indeling is de volgende:
1. een bovenlaag van grote kapitaalbezitters en topbestuurders;
2. een ondernemersklasse van eigenaars van kleine en middelgrote ondernemingen.
Het zijn de ‘zelfstandigen’ die je tot de ‘middenstand’ kunt rekenen;
3. de professionele middenklasse van hoogopgeleide en hoogbetaalde werknemers.
4. de arbeiders- of werknemersklasse die zowel hoofd- als handarbeiders omvat;
5. de onderklasse met een marginale economische positie: laaggeschoolden, langdurig
werklozen, enzovoort.
Als Nederland een standenmaatschappij zou zijn, dan zou je plaats bepaald zijn door je
sociale afkomst. Er zou dan weinig sociale mobiliteit zijn, weinig stijging en daling (verticaal).
onder horizontale mobiliteit wordt verstaan: het veranderen van soort werk zonder dat er
sprake hoeft te zijn van stijging of daling. Bij sociale mobiliteit wordt er gekeken naar de
positie die iemand inneemt ten opzichte van zijn ouders (intergeneratiemobiliteit) en naar de
rol van het onderwijs daarbij. Intrageneratiemobiliteit is het stijgen en dalen binnen het eigen
beroepsleven - binnen een generatie.
Het feit dat iemands afkomst zijn maatschappelijke kansen beïnvloedt, noemen we directe
overerving van beroepsstatus van ouders op kinderen (tegenover indirecte overerving via
het onderwijs).
(6.8)
Een scheve inkomensverdeling wil zeggen dat er niet evenveel mensen zijn met een hoger
als met een lager inkomen. Nederland heeft dat. Er wordt discussie gevoerd over een
tweedeling in de maatschappij. Daarmee wil men zeggen dat er een onderklasse lijkt te
ontstaan van een groep mensen met een laag onderwijsniveau, langdurige of regelmatige
werkloosheid, schulden en afgebroken sociale contacten die daar van generatie op
generatie in gevangen zitten.
De toenemende ongelijkheid kan leiden tot onevenredige politieke invloed, ofterwijl het kan
een bedreiging vormen voor de democratie. Het belangrijkste gevolg van sociale stratificatie
Sociologie voor in de praktijk - H3, 6, 7 & 10
2