Hoofdstuk 7 – perspectieven op ontwikkeling
Ontwikkelingspsychologie: de studie van het proces die groei en verandering in gedrag
door de tijd heen bestuderen. In de eerste 20 jaar van het leven zijn deze veranderingen het
grootst. Maar ook op latere leeftijd veranderd de mens nog steeds, het is alleen minder goed
zichtbaar. Welke veranderingen normaal zijn op een bepaalde leeftijd is gelijk aan de norm.
Normen beschrijven de ontwikkeling als een geheel.
Er zijn meerdere methoden om ontwikkeling te bestuderen:
- Longitudinaal onderzoek: een groep individuen worden over een langere periode
bestudeerd. Maar dit is niet altijd nodig. Veel ontwikkelingsstudies maken dus gebruik
van andere designs.
Positief: je ontvang veel informatie
Negatief: kost veel tijd en is er duur en daarnaast vallen ook veel participanten af.
- Cross-sectional onderzoek (type quasi-experiment): een design gebaseerd op het
selecteren van representatieve groepen die variëren op een specifieke
karaktereigenschap. Zo kunnen ze vergelijkingen over de leeftijd onderzoeken.
Positief: kost niet veel tijd
Negatief: geeft geen causaal verband aan.
o Er kan namelijk spraken zijn van confounding variables: een factor die
varieert met de variabele van interesse waardoor het onmogelijk is om de rol
van elke variabele op gedrag te onderzoeken. Vaak wordt deze variabele over
het hoofd gezien bij het opstarten van het onderzoek.
- Sequential design: dit design combineert kenmerken van een longitudinaal en
cross-sectional design door groepen te selecteren van verschillende leeftijden (zoals
cross-sectional) en deze te volgen over een langere periode (longitudinaal). Hierdoor
ontstaat er een overlap van de leeftijden die worden gerepresenteerd door de
verschillende leeftijden.
Beschrijving van gedrag is alleen het begin van het begrijpen van gedrag. Het begrijpen van
gedrag vraagt ook om een oorzaak van het gedrag, en dit vraagt interpretaties van wat wij
weten. Onderliggende processen moeten worden weergegeven. Maar dit kan ook voor
complicaties zorgen, verschillende theorieën zeggen verschillende dingen.
Er zijn 3 belangrijke problemen bij de interpretatie:
- Is de ontwikkeling continu of gaat het in bepaalde fases (discontinuïteit)?
o Continuïteit: verandering in ontwikkeling verloopt via een continu proces in
plaats van een aantal aparte fases/stages.
Stages: het geloof dat ontwikkeling is gebaseerd op distincte periode
met heldere grenzen, met gedrag in elke stage gestuurd door
verschillende onderliggende processen (zoals Freuds psychoseksuele
stage theorie).
- Kan een enkel model alle aspecten van ontwikkeling weergeven? Of vereisen
verschillende aspecten verschillende modellen?
o Een belangrijk principe in wetenschap is parsimony: hoe simpeler de theorie
hoe beter. Maar soms is dit niet altijd mogelijk. Er zijn verschillende modellen
om gedrag te verklaren:
Domain-general model: een theorie die probeert meerdere aspecten
van gedrag te verklaren in termen van een enkele set van principes.
Een belangrijke onderzoeker die hier gebruik van maakte was Jean
Piaget. Hij benadrukte 3 principes die toepasbaar zijn op alle
aspecten van cognitieve ontwikkeling:
, Equilibration: het proces van het behouden van balans tussen
onze omgeving en mentale structuren die we gebruiken om de
omgeving te representeren.
Assimilation: een proces van het integreren van nieuwe
kennis of ervaringen in ons bestaande cognitieve schema.
Accommodation: het proces van het aanpassen van ons
cognitieve schema in respons op nieuwe kennis of ervaringen.
Animism: de tendens van kleine kinderen om mensachtige
kwaliteiten toe te schrijven aan objecten.
Egocentrism: de tendens van kleine kinderen om aan te nemen
hun perspectief op de wereld de enige is.
Domain-specific model: een theorie die focust op een enkel aspect
van gedrag in het geloof dat verschillende aspecten van gedrag
verschillende processen betrekken en daarom dus ook een andere
theoretische verklaring vereisen.
- Wat is het relatieve belang van erfelijkheid en omgeving in het bepalen van het
vervolg van ontwikkeling?
Er wordt gekeken naar de oorzaken van ontwikkeling en er wordt de vraag gesteld of
die oorzaken aangeboren zijn of dat deze ontwikkeling door de omgeving komt. De
nativist view is gebaseerd op de erfelijkheid. De empiricst view is gebaseerd op
omgevingsfactoren. De vraag is niet zo zeer wat waar is, maar in hoeverre de twee
met elkaar samenhangen. Deze samenhang kan op verschillende manieren plaats
vinden:
o Reaction range: de limieten van de variabiliteit van een fenotype vastgesteld
door het genotype: de limieten vastgesteld door de genen hoe
omgevingsinvloeden het kenmerk kunnen beïnvloeden.
o Epigenetic effects: een proces waarbij stabiele veranderingen in de
expressie van genen ontstaan door ontwikkeling. Er is geen sprake van een
verandering of mutatie, de genen zijn er al maar komen pas op een bepaalde
leeftijd tot uiting.
Maturation: een proces in de ontwikkeling waarbij het lijkt alsof de omgeving geen
invloed uitoefent, alsof het alleen door de genen komt.
De hoofdlijnen van de dimensies van ontwikkeling en de hoogtepunten van elk gebied
worden hieronder beschreven. Er wordt onderscheid gemaakt tussen fysiek, cognitief en
sociaal-emotioneel. In deze volgorde wordt het ook weergegeven.
- Van geboorte tot 5 jaar:
Fysiek: kruipen, lopen.
Cognitief: praten, pre-operationeel denken
Sociaal-emotioneel: binding, beginnen met gender-rollen pre conventioneel moraal.
Attachment: de emotionele band tussen een baby en de primaire zorggever.
- Van 5-12 jaar:
Fysiek: groeien in lengte, kracht en vaardigheden
Cognitie: concreet operationeel denken
Sociaal-emotioneel: ontwikkelen van het gevoel van competentie en conventioneel moraal.
- Van 12-20 jaar
Fysiek: puberteit, het ontwikkelen van secundaire geslachtsorganen
Cognitief: formeel operationeel denken. Dit manifesteert zich in de 'persoonlijke fabel'
(denken dat je anders bent dan anderen) en het 'ingebeelde publiek' (denken dat iedereen
naar je kijkt)
Sociaal-emotioneel: identiteit vorming, egocentrisme in adolescentie.
- Van 20-60 jaar:
Fysiek: fysieke piek, gewichtsveranderingen
Cognitief: pieksnelheid van verwerking
, Sociaal-emotioneel: Intimiteit verbindingen, bijdragen aan familie en maatschappij
- Van 60 tot dood
Fysiek: verhogen van risico’s van fracturen en ziektes
Cognitief: Cognitief verlangzamen, risico op alzheimer
Sociaal-emotioneel: handelen met verlies, oplossen van levensvragen.
Persoonlijkheid: patronen van gedrag die karakteristiek zijn van een individu en die neigen
consistent te zijn over verschillende situaties over de tijd heen.
Traits: een gedrag patroon die consistent ontstaat over een reeks van situaties.
Implicit personality theory: een cognitief schema over menselijk gedrag die wordt gebruik
bij het maken van interpretaties van het gedrag van andere mensen.
Alle vijf de psychologische benaderingen hebben een eigen zicht op drie belangrijke
problemen/vragen bij interpretaties.
Drie vragen herhaald:
- Erfelijkheid
- Continuïteit vs discontinuïteit
- Soort model
1. Biologische benadering: deze benadering benadrukt sterk de rol van erfelijkheid en
psychosociale structuren in het vormen van gedrag. Deze benadering heeft de
neiging te focussen op temperament: biologische tendensen zoals emotionaliteit,
verondersteld dat deze bepaald zijn door erfelijkheid.
Antwoorden op de drie vragen volgens deze benadering:
a. Natuurlijke invloeden zoals erfelijkheid voerden de boventoon.
b. Over de ontwikkeling is geen duidelijk beeld over continuïteit of discontinuïteit, het
verschilt soms.
c. Het domein specifieke model geeft de beste ontwikkeling van de mens weer.
2. Behavioristische benadering: al ons gedrag is gedetermineerd door ervaringen,
gebaseerd op principes van klassieke of operante conditionering. Het grootste
probleem van deze benadering is de vraag hoe het komt dat ons gedrag consistent
is.
Antwoorden op de drie vragen volgens deze benadering:
a. Persoonlijke ontwikkeling komt door omgevingsfactoren.
b. De ontwikkeling is een continu proces en gedrag is consistent.
c. Het domein-generale model geeft het beste de ontwikkeling van de mens weer.
History of reinforcement: een opsomming van alle versterkingen voor een specifiek
gedrag. De cumulatieve versterking is sterker dan een enkele versterker bij het
bepalen van gedrag.
3. Cognitieve benadering: deze benadering is geïnteresseerd in hoe cognitieve
processen gedrag beïnvloeden. De aanhangers zijn geïnteresseerd in waarom we
geloven in het concept persoonlijkheid als een factor dat de actuele
gedragsconsistentie promoot.
Sociale perceptie: de studie van sociale aspecten van perceptie.
Cognitieve sociale leertheorie: een theorie afgeleid van de cognitieve benadering
die aankaart dat gedrag geleerd kan worden door andermans gedrag te observeren
en dat gedrag wordt gemedieerd door cognitieve schema’s.
Antwoorden op de drie vragen volgens deze benadering:
a. Ontwikkeling komt door omgevingsfactoren.
b. De ontwikkeling is een continu proces.
c. Een algemeen model geeft het beste de ontwikkeling van de mens weer.