Leerdoelen:
de student kent de termen corneavorm, astimatsme, centrale/perifere corneavorm, afwijkende
corneavorm, absoluut, relatef, saiitaal, tanienitaal en kan deze kennis toepassen bij het maken en
beoordelen van een topoirafee
Corneavorm vorm van de cornea
Astigmatisme vervorming in 1 richting
Absoluut grote schaalverdeling, veel waarden vergelijken
Relatief werkelijke schaalverdeling
Sagitaal om sterktes te vergelijken
Tangentiaal om de vorm te vergelijken
De student kan iemeten indici, zoals SI, SAI en SRI beoordelen
SI inferior super in dpt mag 1.5 dpt zijn
SAI surface astymmetry index 1.0 dpt
SRI surface regularity index eneden de 0.8 dpt
De student kan de iebieden noemen die kunnen worden onderzocht met een OCT tjdens een
contactlensonderzoek:
- Voorste segment
- Cornea
- Topdiepte
De student kan benoemen hoe cantactlensiebruik het knipper iedrai en de traanflmkwaliteit kan
beïnvloeden
Mensen gaan vaak minder knipper droge ogen
2018-2019 Contactlens 1 (CTL1) © Hogeschool Utrecht
, Cursus: Contactlens 1 (CTL1)
Cursuscode: GOO-2.CTL1-17
Cursusjaar: 2018-2019
Lesweek: 6
Titel: Vraien hoofdstuk 3 ‘Corneal topoiraphy’
Lees hoofdstuk 1 uit ‘Clinical Manual of Contact Lenses’ en bekijk de eerste 30
minuten van het Youtube flmpje van Randy Kojima. Beantwoord de volgende
vragen aan de hand van de theorie:
1. Voor welke drie doeleinden kan een corneatopograaf worden
gebruikt?
- In kaart brengen van de vorm van de cornea
- Monitoren van veranderingen van de cornea
- Opsporen van pathologie
2. Wat is het verschil tussen refectie en projectie topografe?
Reflecte topoirafe houdt zich aan de regels volgens snell. Lichtinval en de
weerkaatste lichtstraal zijn gelijk aan de normaal van het oppervlak.
2018-2019 Contactlens 1 (CTL1) © Hogeschool Utrecht