Inzicht/analyse/toepassing
1a. De Nederlandse centrale overheid kent organen met een wetgevende, een besturende of
een rechterlijke functie. Geef een kort overzicht.
Zie boek, p. 125-129.
1b. Doe hetzelfde ten aanzien van de instellingen van de EU. Ga daarbij ook in op de functie
van de Europese Raad.
Zie boek, p. 91-96.
2. Lees het krantenartikel ‘Een districtenstelsel zou veel oplossen’ (NRC 9 oktober 2012, te
vinden op Blackboard). Beantwoord daarna de volgende vragen.
2a. Noem de belangrijkste verschillen tussen een stelsel van evenredige vertegenwoordiging en
een meerderheids-districten stelsel.
Evenredige vertegenwoordiging Meerderheidsdistrictenstelsel
Veel partijen Weinig partijen
Ingewikkelde en langdurige coalitievorming Eenvoudige coalitievorming, soms niet eens nodig
Meestal hele land Meestal indeling in districten
Geen sterke band Sterke band kiezer – gekozenen
Goede afspiegeling samenleving kiesdeler Weinig afspiegeling, je kan in totaal de
meerderheid hebben, en toch 0 zetels
Naar rato van, evenredigheid The winner takes it all
2b. Men zegt wel dat het bestaan van een meerderheidsdistrictenstelsel het makkelijker maakt
om een kabinet te vormen. Leg dat uit.
Er zijn over het algemeen minder partijen omdat het neigt naar een twee partijen stelsel. Wanneer 1
partij dan de absolute meerderheid heeft, hoeft er niet eens coalitievorming plaats te vinden. Als dit
niet het geval is, is coalitievorming veel makkelijker en minder tijdrovend bij de duidelijkheid door
weinig partijen dan wanneer er heel veel partijen zijn die ieder andere standpunten hebben.
2c. Geef een kort betoog voor of tegen de invoering van een meerderheidsdistrictenstelsel in
Nederland.
, 3a. Wat zou er gebeuren wanneer in Nederland een kiesdrempel van 5% wordt ingevoerd.
Veel kleine partijen zullen de kamer niet halen, waardoor er tactisch gestemd gaat worden en de
grote partijen alleen maar groter worden en kleine partijen zullen verdwijnen. De samenleving
wordt zo minder goed vertegenwoordigd.
3b. Is een dergelijke maatregel in strijd met de Grondwet?
Volgens art 53 lid 1 is dit deels in strijd met de grondwet. Want daarin is vastgelegd dat wij een
stelsel van evenredige vertegenwoordiging hanteren.
4. Beoordeel of de volgende handelwijzen in strijd zijn artikel 67 lid 3 Grondwet:
4a. Op 15 januari 2011 vroeg de partijraad van GroenLinks de Tweede Kamerfractie van
dezelfde partij niet in te stemmen met de missie in Kunduz.
Strikt genomen is er in geen van de genoemde situaties sprake van dwang en is hun stem hoe dan
ook geldig. Sterker nog, het zou vreemd zijn indien derden geen verzoeken aan kamerleden zouden
kunnen doen.
4b. Tijdens de kabinetsformatie in 2010 eiste minister Donner van twee kamerleden van het
CDA dat zij beloofden om in te stemmen met deelname aan het kabinet Rutte I als het CDA
congres zich daarvoor zou uitspreken.
Dit is in strijd met de GW, omdat Kamerleden gedwongen worden op een bepaalde manier te
stemmen, anders zullen er maatregelen volgen.
Daar staat tegenover dat in dit geval wel heel sterk de suggestie wordt gewekt dat kamerleden
ergens aan gebonden zijn of zichzelf aan bepaald stemgedrag kunnen binden.
4c. De voorzitter van een Tweede Kamerfractie eist van alle leden van de fractie dat zij
stemmen tegen wetsvoorstel Y op straffe van uitzetting uit de fractie.
Fractiedruk is niet in strijd met art. 67 GW lid 3, omdat een kamerlid ook zonder lid te zijn van een
fractie kan blijven functioneren. 16 fracties in de tweede kamer. Je wordt als kamerlid individueel
gekozen. Als je het niet eens bent met je fractie kan je alsnog blijven zitten, alleen niet meer als lid
van die fractie.
5. Lees artikel 67 Grondwet en de artikelen 69 en 70 van het Reglement van Orde van de
Tweede Kamer.
5a. Hoe zou u in het algemeen een quorum omschrijven?
Aantal leden dat nodig is om te beraadslagen/besluiten
5b. Hoe kan het dat de Tweede Kamer vergadert zonder dat het door artikel 67 GW vereiste
quorum lijfelijk aanwezig is?
(2)