Inzicht/analyse/toepassing
1a. Geef een korte omschrijving van een parlementair stelsel.
• Parlementair stelsel
- Ministers etc. niet gekozen, maar benoemd (KB: 43, 46 Gw)
- ‘Gekozen’ in proces van kabinetsformatie
- Vertrouwensregel kern parlementair stelsel
In Nederlandland is dit negatief geformuleerd. Het optreden van de ministers en
staatssecretarissen is democratisch gelegitimeerd omdat ze het vertrouwen
genieten van de meerderheid van de TK. Het kan als een democratisch zwemwest
voor ministers worden gezien.
1b. Geef een korte omschrijving van een presidentieel stelsel.
President, die veelal rechtstreeks wordt gekozen, heeft de uitvoerende macht. Hij stelt ministers aan
die geen verantwoording schuldig zijn aan parlement; ook geen vertrouwensregel tussen minister en
parlement.
2a. Verklaar waarom de invoering van de (politieke) ministeriële verantwoordelijkheid in
1848 kan worden beschouwd als een belangrijk moment in de machtsstrijd tussen regering en
parlement.
De koning had vergaande bevoegdheden, maar de Koning kon niet door het parlement ter
verantwoording worden geroepen. Door de invoering van de politieke ministeriële
verantwoordelijkheid kon het parlement de bij de uitoefening van die bevoegdheden betrokken
minister (contraseign, vanaf 1840) wel ter verantwoording roepen.
2b. Is de invoering van de ministeriële verantwoordelijkheid ook een belangrijk moment wat
de verhouding tussen Koning en minister betreft?
Na de invoering van de strafrechtelijke ministeriële verantwoordelijkheid in 1840 was voor de
meeste besluiten van de Koning al een ministerieel contraseign nodig. Vanaf 1848 moest de
minister zich ook verantwoorden in het parlement.
2c. Wat is in ons staatsbestel naar uw mening een groter constitutioneel probleem: de Koning
wenst dat er een bepaald besluit genomen wordt, maar de minister weigert medewerking; of
de minister wenst dat er een bepaald besluit genomen wordt, maar de Koning weigert
medewerking.
In het eerste geval komt er geen besluit tot stand. De minister is het daarmee eens en zal zich
daarvoor kunnen verantwoorden. Ook in het tweede geval komt geen besluit tot stand. De minister
is het daar niet mee eens, maar draagt daar toch verantwoording voor. Meer in het algemeen staat de
, democratische legitimatie van het bestuur in het tweede geval sterk onder druk. Omdat hij een
symbolische functie heeft als staatshoofd waarbij zijn politieke opvattingen op de achtergrond
moeten blijven omdat hij geen politieke figuur is.
3a. Geef een eigen formulering van de in Nederland bestaande vertrouwensregel.
Kern parlementair stelsel het eist dat een minister of staatssecretaris niet kan aanblijven als hij
niet langer het vertrouwen van een meerderheid van de Tweede Kamer geniet
In Nederland is dit negatief geformuleerd. Het optreden van de ministers en staatssecretarissen is
democratisch gelegitimeerd omdat ze het vertrouwen genieten van de meerderheid van de TK.
Het kan als een democratisch zwemwest voor ministers worden gezien.
In de motie die wordt aan genomen door de TK wordt impliciet verteld dat zij een motie van
wantrouwen indienen. Dit gebeurt nooit expliciet.
3b. Hoe zou een positief geformuleerde vertrouwensregel luiden?
Wanneer de Tweede Kamer in meerderheid niet expliciet het vertrouwen uitspreekt in een minister
of een heel kabinet, kan die minister/dat kabinet niet aanblijven.
3c. Betoog dat een negatief geformuleerde vertrouwensregel beter bij een dualistische
opvatting over de verhouding tussen regering en parlement past en een positief geformuleerde
vertrouwensregel beter bij een monistische opvatting.
Betoog: Stelling // Argu voor // Tegenargument + weerlegging //
Negatief: als het kabinet geen vertrouwen heeft moet je aftreden. Zo lang niet blijkt van
uitdrukkelijk wantrouwen mag het kabinet blijven zitten.
Dualisme is de scheiding tussen de regering en de Staten- Generaal.
Een negatief geformuleerde vertrouwensregel past goed bij een dualistische opvatting omdat de
regering hier een wetgevende en bestuurlijke taak, en de volksvertegenwoordiging controlerend.
Als het parlement de regering niet meer vertrouwd zijn de organen niet meer gelijk aan elkaar en
kan het parlement het vertrouwen opzeggen.
+
De positief geformuleerde vertrouwensregel past beter bij monisme omdat regering en parlement
hier veel meer samenwerken en samen afspraken maken en zolang er niks aan de hand is het
parlement het vertrouwen niet op hoeft te zeggen en de regering ook niet echt controleert omdat zij
toch afspraken gemaakt hebben zoals in het regeerakkoord.
4a. Voor het doen of nalaten van welke actoren is een minister politiek verantwoordelijk?
(2)