Inzicht/ analyse/ toepassing
1.Betoog dat het in art. 91 Grondwet en de RwGBV vastgelegde stelsel van
verdragsgoedkeuring het parlement een sterke positie geeft.
Vrijwel alle verdragen dienen te worden goedgekeurd (art. 91 lid 1 Grw). Wanneer de regering niet
kiest voor goedkeuring bij wet, maar een verdrag ter stilzwijgende goedkeuring aan de kamers
overlegt, kunnen de kamers (1/5 deel van het aantal leden) alsnog uitdrukkelijke goedkeuring bij
wet afdwingen (art. 5 lid 1 RGBV). Instemming door het parlement is dus vrijwel steeds vereist.
2. Betoog dat de toenemende invloed van het internationale en Europese recht de positie van
het parlement (desondanks) heeft verzwakt.
In de eerste plaats kan de Tweede Kamer goedkeuren of niet goedkeuren, amenderen van het goed
te keuren verdrag is niet mogelijk. In de Tweede plaats is het parlement niet direct betrokken bij de
totstandkoming besluiten van bij verdrag opgerichte volkenrechtelijke organisaties. Deze besluiten
kunnen zonder instemming van het parlement tot stand komen. Dat klemt te meer, nu ze wel direct
in de Nederlandse rechtsorde kunnen doorwerken en de rechter wetten in formele zin buiten
toepassing kan laten bij strijd met eenieder verbindende bepalingen van besluiten van
volkenrechtelijke organisaties (art. 94 Grw).
3. In welke opzichten is de positie van de Tweede Kamer ten aanzien van de goedkeuring van
verdragen te vergelijken met de positie van de Eerste Kamer in de wetgevingsprocedure?
De Tweede kamer heeft ten aanzien van wetsvoorstellen het recht van amendement (art. 84 Grw);
de Eerste Kamer niet (art. 85 Grw). Bij de goedkeuring van verdragen kan de inhoud van het
verdrag niet geamendeerd worden. Dus is het voor de TK ook een kwestie van ‘take it or leave it’.
4a Uit welke Nederlandse grondwetsbepaling blijkt dat een ieder verbindende bepalingen van
verdragen burgers rechtstreeks kunnen binden, dus zonder omzetting daarvan in nationale
wetgeving?
art. 93 Grondwet;
4b. Moeten internationale rechtsnormen worden toegepast met voorrang op daarmee strijdige
bepalingen van nationale oorsprong?
art. 94 Grondwet: Ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van
volkenrechtelijke organisaties komt voorrang toe..
5a. Hoe bepaalt de Nederlandse rechter of een verdragsbepaling een ieder verbindend is in de
zin van art. 93 -94 GW?
, Indien noch uit de tekst, noch uit de totstandkomingsgeschiedenis volgt dat geen rechtstreekse
werking van de verdragsbepaling is beoogd, is de inhoud van de bepaling beslissend. Het gaat erom
of deze onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig is om in de nationale rechtsorde zonder meer
als objectief recht te worden toegepast . Enige keuzevrijheid wat betreft de te nemen maatregelen is
daarvoor niet per se een beletsel (HR Rookverbod)
5b. Is artikel 1, zesde Protocol EVRM een ‘een ieder verbindende bepaling’?
Ja; inhoud is beslissend en deze is onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig, kan zonder meer als
objectief recht functioneren.
5c. Is artikel 5 van het Internationaal Verdrag inzake de uitbanning van alle vormen van
discriminatie van vrouwen een ‘een ieder verbindende bepaling’?
Nee, verplichting passende maatregelen te nemen om gedragspatroon te veranderen en zorg te
dragen voor een passend begrip zal niet snel als een onvoorwaardelijk en voldoende nauwkeurig
inhoud beschouwd worden
5d.Is artikel 13 lid 2 sub d IVESC een ‘een ieder verbindende bepaling’?
Moeilijk een uitspraak over het gehele artikel te doen. De Hoge Raad heeft in het verleden artikel
13 lid 2 sub c en e IVESC als niet verbindend aangemerkt (Harmonisatiewetarrest).
5e. Is artikel 7 Vrouwenverdrag een ‘een ieder verbindende bepaling’?
Wel, het geld voor alle lidstaten. Deze bepaling zit deze ertussenin. Sub a en sub c is in ieder geval
eenieder verbindend, want ze zijn glashelder.
6. Welke positie heeft het EU recht in de Nederlandse rechtsorde?
Het HvJEU heeft geoordeeld dat bepalingen van EU-recht die zich daar qua inhoud toe lenen
rechtstreekse werking hebben in de lidstaten en bovendien voorrang op het nationale recht
(waaronder ook de Grondwet).
Deze werking heeft het EU recht volgens het HvJ EU uit eigen hoofde (Costa ENEL). Dat is in
Nederland de heersende leer.
Daar staat het in veel andere lidstaten bestaande idee tegenover, dat de werking en voorrang van het
EU recht in die lidstaat uiteindelijk gebaseerd moet zijn op de nationale constitutie. A fortiori heeft
het EU recht niet per se voorrang op die constitutie.
7. Betoog dat de toenemende invloed van het internationale en Europese recht de positie van
de rechter in het Nederlandse staatsbestel heeft versterkt.
Mogelijkheden tot toetsing van ook de wet in formele zin aan een ieder verbindende bepalingen, art.
94, Grw sterk toegenomen.
(2)