Samenvatting – hoofdstuk 5 - Algemene oncologie
Boek: Pathologie
Bladzijden: 110 t/m 136
5.1 – inleiding
Kanker is tegenwoordig in 50% van de gevallen te genezen, al hangt dit wel af van
het soort kan en de lokalisatie ervan.
Basocellulair carcinoom aan de huid kun je volledig genezen.
Oatcellcarcinoom, specifiek type longkanker, bijna altijd fataal.
5.2 – Normale celgroei en tumorvorming
Bij kanker is er sprake van ongeremde celdelingen.
De wisselwerking tussen de genetische code en groei regulerende factoren bepaalt
de mate van de groei van het weefsel.
Bij tumorgroei is er sprake van een verstoring van deze wisselwerking door
veranderingen van het genoom (DNA-mutatie).
De veranderingen zijn onomkeerbaar en betreffen met name de belangrijke celgroei
regulerende genen (oncogenen)
Bepaalde noxen zijn verantwoordelijk voor deze veranderingen.
Celdelingen vinden nu ongeremd plaats, de groei is ontregeld en gaat zijn eigen weg
(autonome groei), en weefsels groeien tot abnormale proporties uit.
5.3 – Tumor versus andere volumeveranderingen in weefsels.
Een tumor wordt ook wel gezwel of neoplasma genoemd.
Tumor moet onderscheiden worden in zwelling, hypotrofie, atrofie en hyperplasie
(toename van normale cellen), aplasie (afname van normale cellen) en metaplasie of
dysplasie (de verandering van cellen in een ander celtype, bijv. Bij chronische irritatie
van weefsel.
Metaplasie kan het voorstadium zijn van een kwaadaardige aandoening en is evenals
dysplasie ontstaan door chronische prikkeling.
5.4 – Aard van de tumor (tabel 5.1 – naamgeving van tumoren)
Bij goedaardige tumoren lijken de cellen nog op het oorspronkelijke weefsel. Ook
functionele eigenschappen kunnen nog behouden zijn, zoals de endocriene functie
(schildkliertumoren, bijniertumoren).
Goedaardige tumoren groeien meestal veel langzamer en hebben de neiging
expansief uit te groeien. De omgevende weefsels worden weggeduwd. Er vormt zich
zelfs vaak een bindweefselkapsel dat de tumor naar andere weefsel toe afgrenst.
Bij kwaadaardige tumoren wijken de cellen duidelijk af van het oorspronkelijke
celtype, graderingen zijn te onderscheiden.
Goed gedifferentieerd tumorweefsel lijkt nog redelijk op het oorspronkelijke cel.
Weinig gedifferentieerd.
Anaplastisch of ongedifferentieerd = lijkt helemaal niet meer op de oorspronkelijke
cel. Groeien het snelst en gedragen zich agressiever.
De tumor zelf zorgt voor een goed vacularisatie (adequate aanvoer van
voedingstoffen).
De groei verloopt infiltrerend, de vertakkingen groeit de omgevende weefsels in, wat
vaak vernietiging van de weefsels tot gevolg heeft (destructieve groei).
De tumor kan dwars door bestaande structuren (bloedvaten, zenuwen en dergelijke)
heen groeien.
Kwaadaardige tumoren hebben het vermogen tot metastasevorming (uitzaaiingen).
Dekweefsel (en klierweefsels) = eindigen op carcinoom.
Boek: Pathologie
Bladzijden: 110 t/m 136
5.1 – inleiding
Kanker is tegenwoordig in 50% van de gevallen te genezen, al hangt dit wel af van
het soort kan en de lokalisatie ervan.
Basocellulair carcinoom aan de huid kun je volledig genezen.
Oatcellcarcinoom, specifiek type longkanker, bijna altijd fataal.
5.2 – Normale celgroei en tumorvorming
Bij kanker is er sprake van ongeremde celdelingen.
De wisselwerking tussen de genetische code en groei regulerende factoren bepaalt
de mate van de groei van het weefsel.
Bij tumorgroei is er sprake van een verstoring van deze wisselwerking door
veranderingen van het genoom (DNA-mutatie).
De veranderingen zijn onomkeerbaar en betreffen met name de belangrijke celgroei
regulerende genen (oncogenen)
Bepaalde noxen zijn verantwoordelijk voor deze veranderingen.
Celdelingen vinden nu ongeremd plaats, de groei is ontregeld en gaat zijn eigen weg
(autonome groei), en weefsels groeien tot abnormale proporties uit.
5.3 – Tumor versus andere volumeveranderingen in weefsels.
Een tumor wordt ook wel gezwel of neoplasma genoemd.
Tumor moet onderscheiden worden in zwelling, hypotrofie, atrofie en hyperplasie
(toename van normale cellen), aplasie (afname van normale cellen) en metaplasie of
dysplasie (de verandering van cellen in een ander celtype, bijv. Bij chronische irritatie
van weefsel.
Metaplasie kan het voorstadium zijn van een kwaadaardige aandoening en is evenals
dysplasie ontstaan door chronische prikkeling.
5.4 – Aard van de tumor (tabel 5.1 – naamgeving van tumoren)
Bij goedaardige tumoren lijken de cellen nog op het oorspronkelijke weefsel. Ook
functionele eigenschappen kunnen nog behouden zijn, zoals de endocriene functie
(schildkliertumoren, bijniertumoren).
Goedaardige tumoren groeien meestal veel langzamer en hebben de neiging
expansief uit te groeien. De omgevende weefsels worden weggeduwd. Er vormt zich
zelfs vaak een bindweefselkapsel dat de tumor naar andere weefsel toe afgrenst.
Bij kwaadaardige tumoren wijken de cellen duidelijk af van het oorspronkelijke
celtype, graderingen zijn te onderscheiden.
Goed gedifferentieerd tumorweefsel lijkt nog redelijk op het oorspronkelijke cel.
Weinig gedifferentieerd.
Anaplastisch of ongedifferentieerd = lijkt helemaal niet meer op de oorspronkelijke
cel. Groeien het snelst en gedragen zich agressiever.
De tumor zelf zorgt voor een goed vacularisatie (adequate aanvoer van
voedingstoffen).
De groei verloopt infiltrerend, de vertakkingen groeit de omgevende weefsels in, wat
vaak vernietiging van de weefsels tot gevolg heeft (destructieve groei).
De tumor kan dwars door bestaande structuren (bloedvaten, zenuwen en dergelijke)
heen groeien.
Kwaadaardige tumoren hebben het vermogen tot metastasevorming (uitzaaiingen).
Dekweefsel (en klierweefsels) = eindigen op carcinoom.