Samenvatting hoofdstuk 1: achtergrondkennis bij klinische redeneren
Boek: Klinisch redeneren en evidence-based practice
Bladzijden: 25 t/m 58
1.1 Wat is klinisch redeneren?
4 soorten basisvragen die verpleegkundige zichzelf stellen of krijgt van de patiënt
zijn:
- Wat is er aan de hand met de patiënt? (diagnostische vraag)
- Waardoor komt dat? (oorzakelijke of etiologische vraag)
- Hoe verloopt het waarschijnlijk af met dit probleem? Wat denken we te kunnen
bereiken. (prognostische vraag).
- Wat denken we eraan te doen? (therapeutische vraag)
Klinisch redeneren – het continue proces van kritisch denken, gegevensverzameling
en analyse, gericht op de vragen en problemen van een individu en diens naasten, in
relatie tot ziekte en gezondheid, om tot het beste besluit over de zorg te komen.
1.3 De denkstructuur van het klinische redereren
Frame – suggereren van een bepaalde manier van kijken naar een onderwerp.
Onbewust vanuit één invalshoek kijken.
Biases – het zijn slordigheden in het denken en denkfouten, waardoor de redenering
niet meer zuiver is, maar vertekend. De redenering is in meer of mindere mate
onjuist.
Framing bias – vertekening in het redeneren, doordat de redenering plaatsvindt
vanuit een wijze van kijken of denken, waardoor andere invalshoeken buiten de
beschouwing gelaten worden.
Recency bias – vertekening in het redeneren die ontstaat doordat denksysteem 1
recente gebeurtenissen eerder activeert in het geheugen dan gebeurtenissen van
langer geleden. Hierdoor ga je patiënten vergelijken met elkaar.
Overconfidence – vertekening in het redeneren waarbij men te sterk gelooft in een
conclusie die getrokken van op basis van dat moment toevallig beschikbare
informatie. De conclusie is gebaseerd op toevallig aanwezige informatie.
Cognitief continuüm – helpt bij het oordelen van wat het analytische gehalte hoort te
zijn van verschillende verpleegkundige besluiten, en bij het bepalen op welke wijze
het analytische gehalte vergroot kan worden.
Achtergrondkennis – is basiskennis: kennis van anatomie, fysiologie, psychologie en
medische en psychiatrische aandoeningen om de toestand en de problemen van de
patiënt te leren kennen en begrijpen.
Voorgrondkennis – deze kennis verandert doordat er via wetenschappelijk onderzoek
nieuw kennis en inzichten verworven zijn.
1.4 Het ICF als denkmodel bij klinisch redeneren
ICF – de international classificaton of functionering, disability and health.
Het helpt om te begrijpen welke problemen fysiek, psychisch en sociaal kan hebben,
en hoe deze problemen met elkaar samenhangen.
ICF schema – 1. Aandoening/ 2. Bijbehorende behandeling/ 3. Leefstijl van patiënt.
Het ICF-schema helpt bij het nadenken over de problemen in de context van
gezondheid, de oorzaken van die problemen, de gevolgen ervan, hoe ze tot uiting
komen en de betekenis ervan voor de patiënt.
ICF componenten: functies van anatomische eigenschappen, activiteiten, participatie,
externe factoren en persoonlijke factoren.
Boek: Klinisch redeneren en evidence-based practice
Bladzijden: 25 t/m 58
1.1 Wat is klinisch redeneren?
4 soorten basisvragen die verpleegkundige zichzelf stellen of krijgt van de patiënt
zijn:
- Wat is er aan de hand met de patiënt? (diagnostische vraag)
- Waardoor komt dat? (oorzakelijke of etiologische vraag)
- Hoe verloopt het waarschijnlijk af met dit probleem? Wat denken we te kunnen
bereiken. (prognostische vraag).
- Wat denken we eraan te doen? (therapeutische vraag)
Klinisch redeneren – het continue proces van kritisch denken, gegevensverzameling
en analyse, gericht op de vragen en problemen van een individu en diens naasten, in
relatie tot ziekte en gezondheid, om tot het beste besluit over de zorg te komen.
1.3 De denkstructuur van het klinische redereren
Frame – suggereren van een bepaalde manier van kijken naar een onderwerp.
Onbewust vanuit één invalshoek kijken.
Biases – het zijn slordigheden in het denken en denkfouten, waardoor de redenering
niet meer zuiver is, maar vertekend. De redenering is in meer of mindere mate
onjuist.
Framing bias – vertekening in het redeneren, doordat de redenering plaatsvindt
vanuit een wijze van kijken of denken, waardoor andere invalshoeken buiten de
beschouwing gelaten worden.
Recency bias – vertekening in het redeneren die ontstaat doordat denksysteem 1
recente gebeurtenissen eerder activeert in het geheugen dan gebeurtenissen van
langer geleden. Hierdoor ga je patiënten vergelijken met elkaar.
Overconfidence – vertekening in het redeneren waarbij men te sterk gelooft in een
conclusie die getrokken van op basis van dat moment toevallig beschikbare
informatie. De conclusie is gebaseerd op toevallig aanwezige informatie.
Cognitief continuüm – helpt bij het oordelen van wat het analytische gehalte hoort te
zijn van verschillende verpleegkundige besluiten, en bij het bepalen op welke wijze
het analytische gehalte vergroot kan worden.
Achtergrondkennis – is basiskennis: kennis van anatomie, fysiologie, psychologie en
medische en psychiatrische aandoeningen om de toestand en de problemen van de
patiënt te leren kennen en begrijpen.
Voorgrondkennis – deze kennis verandert doordat er via wetenschappelijk onderzoek
nieuw kennis en inzichten verworven zijn.
1.4 Het ICF als denkmodel bij klinisch redeneren
ICF – de international classificaton of functionering, disability and health.
Het helpt om te begrijpen welke problemen fysiek, psychisch en sociaal kan hebben,
en hoe deze problemen met elkaar samenhangen.
ICF schema – 1. Aandoening/ 2. Bijbehorende behandeling/ 3. Leefstijl van patiënt.
Het ICF-schema helpt bij het nadenken over de problemen in de context van
gezondheid, de oorzaken van die problemen, de gevolgen ervan, hoe ze tot uiting
komen en de betekenis ervan voor de patiënt.
ICF componenten: functies van anatomische eigenschappen, activiteiten, participatie,
externe factoren en persoonlijke factoren.