Samenvatting: hoofdstuk 6 – klinisch redeneren en evidence-based practice
(EBP)
Boek: Klinisch redeneren en evidence-based practice
Bladzijden: 119 t/m 124
6.1 – Wat is evidence-based practice? Hoe helpt EBP mijn klinisch redeneren te verbeteren?
Evidence-based practice (EBP) is een manier om betere klinische besluiten te
nemen. Door de methode te gebruiken wordt wetenschappelijk kennis betrokken bij
het nemen van het beste besluit voor de eigen patiënt.
Klinische onzekerheid: De onzekerheid over het nemen van de juiste beslissingen.
6.2 – Wat is de methode van evidence-based practice?
Om de wetenschappelijke kennis op een goede manier in klinische redeneringen te
gebruiken, moet de verpleegkundige zich drie vragen stellen over deze kennis.
1. Is de nieuwe informatie die uit de wetenschappelijke artikelen komen
waarschijnlijk waar?
2. Wat zegt de informatie over de patiëntenzorg?
3. Kan deze informatie worden gebruikt voor de eigen patiënt.
De methode van evidence-based practice omvat de volgende vijf stappen een
kritische terugblik of dit het juiste artikel is.
1. Het klinisch probleem vertalen in een beantwoorde vraag.
2. Het efficiënt zoeken naar het beste bewijsmateriaal.
3. Het wegen van de gevonden evidence op methodologische kwaliteit en
toepasbaarheid in de eigen praktijksituatie.
4. Het nemen van een beslissing op grond van de beschikbare evidence.
5. Het regelmatig evalueren van de kwaliteit van dit proces.
6.3 – Hoe kan ik een klinisch probleem vertalen in een beantwoorde vraag?
De vraag is niet te beantwoorden met ja of nee.
Bevatten de volgende drie elementen:
- Populatie – de groep mensen die dezelfde belangrijke kenmerken hebben als de
patiënt.
- Determinanten – de factoren die het ontstaan van een ziekte veroorzaken of
bevorderen of het verloop van de ziekte beïnvloeden. Bv. Roken
- Outcome – het resultaat waarin de verpleegkundige geïnteresseerd is. Bv. Gewicht
bij de vraag over een gezonde manier van afvallen voor personen met obesitas.
- PICO – population (populatie), intervention (interventie), comparison (vergelijking) en
outcome (uitkomst). (I – interventie waarin je in eerste instantie geïnteresseerd in
bent en ‘C’ voor de interventie waarmee de eerste interventie wordt vergeleken.)
6.4 – Hoe weet ik wat het beste bewijsmateriaal is?
Dit is bewijsmateriaal waarbij (1) het klinische probleem voldoende overeenkomst met
de klinische vraag, (2) de patiëntenpopulatie voldoende overeenkomst met de eigen
patiënt, en (3) het niveau van het bewijs zo hoog mogelijk is.
Evidence pyramid (kennispiramide) – Een weergave van het niveau van bewijs. –>
per stap naar beneden wordt de bewijskracht steeds iets zwakker.
Bias – in het redeneren zijn biases – voorspelbare afwijkingen van rationeel denken.
(EBP)
Boek: Klinisch redeneren en evidence-based practice
Bladzijden: 119 t/m 124
6.1 – Wat is evidence-based practice? Hoe helpt EBP mijn klinisch redeneren te verbeteren?
Evidence-based practice (EBP) is een manier om betere klinische besluiten te
nemen. Door de methode te gebruiken wordt wetenschappelijk kennis betrokken bij
het nemen van het beste besluit voor de eigen patiënt.
Klinische onzekerheid: De onzekerheid over het nemen van de juiste beslissingen.
6.2 – Wat is de methode van evidence-based practice?
Om de wetenschappelijke kennis op een goede manier in klinische redeneringen te
gebruiken, moet de verpleegkundige zich drie vragen stellen over deze kennis.
1. Is de nieuwe informatie die uit de wetenschappelijke artikelen komen
waarschijnlijk waar?
2. Wat zegt de informatie over de patiëntenzorg?
3. Kan deze informatie worden gebruikt voor de eigen patiënt.
De methode van evidence-based practice omvat de volgende vijf stappen een
kritische terugblik of dit het juiste artikel is.
1. Het klinisch probleem vertalen in een beantwoorde vraag.
2. Het efficiënt zoeken naar het beste bewijsmateriaal.
3. Het wegen van de gevonden evidence op methodologische kwaliteit en
toepasbaarheid in de eigen praktijksituatie.
4. Het nemen van een beslissing op grond van de beschikbare evidence.
5. Het regelmatig evalueren van de kwaliteit van dit proces.
6.3 – Hoe kan ik een klinisch probleem vertalen in een beantwoorde vraag?
De vraag is niet te beantwoorden met ja of nee.
Bevatten de volgende drie elementen:
- Populatie – de groep mensen die dezelfde belangrijke kenmerken hebben als de
patiënt.
- Determinanten – de factoren die het ontstaan van een ziekte veroorzaken of
bevorderen of het verloop van de ziekte beïnvloeden. Bv. Roken
- Outcome – het resultaat waarin de verpleegkundige geïnteresseerd is. Bv. Gewicht
bij de vraag over een gezonde manier van afvallen voor personen met obesitas.
- PICO – population (populatie), intervention (interventie), comparison (vergelijking) en
outcome (uitkomst). (I – interventie waarin je in eerste instantie geïnteresseerd in
bent en ‘C’ voor de interventie waarmee de eerste interventie wordt vergeleken.)
6.4 – Hoe weet ik wat het beste bewijsmateriaal is?
Dit is bewijsmateriaal waarbij (1) het klinische probleem voldoende overeenkomst met
de klinische vraag, (2) de patiëntenpopulatie voldoende overeenkomst met de eigen
patiënt, en (3) het niveau van het bewijs zo hoog mogelijk is.
Evidence pyramid (kennispiramide) – Een weergave van het niveau van bewijs. –>
per stap naar beneden wordt de bewijskracht steeds iets zwakker.
Bias – in het redeneren zijn biases – voorspelbare afwijkingen van rationeel denken.