Samenvatting- hoofdstuk 18 dementie en gedragsstoornissen
Boek: Neurologie voor verpleegkundige
Blz.: 240 t/m 250
18.1 - Het dementiesyndroom
Dementie kenmerkt zich vooral door een geleidelijke achteruitgang van het
geheugen. Maar ook andere cognitieve functies, zoals, taal, herkenning, planning- en
organisatievermogen raken verstoord.
Treft vooral ouderen vanaf de leeftijd van 65 jaar, 1 procent van de bevolking lijdt
eraan. Dit loopt op tot ruim 4 procent bij mensen van 90 jaar en ouder.
18.1.1 – De klachten en symptomen
Er moeten minimaal twee van de volgende vier verschijnselen aanwezig zijn:
Stoornissen in het geheugen
Vertraging van handelen en denken
Afasie, apraxie of agnosie
Stoornissen in de uitvoerende functie (plannen maken, doelgericht handelen).
Afwijkend sociaal gedrag
Door middel van observatie, exploratie en eventuele testen kun je tot de conclusie
komen dat er aanwijzingen zijn voor verschijnselen die passen bij het
dementiesyndroom.
Mini Mental Status Examination (MMSE) behulpzaam zijn score van 24 of hoger is
als normaal te beschouwen. Een langere score hoeft niet meteen te betekenen dat er
dementie is.
De diagnose wordt altijd multidisciplinair gesteld.
18.1.2 – De ernst van het dementiesyndroom
De eerste verschijnselen – hangen samen met het geheugen:
- Dingen uit het recente verleden worden vergeten.
De begeleidingsbehoefte fase (licht tot matige dementie).
- Gebeurtenissen in het lange termijngengeheugen zijn nog wel paraat, hij grijpt
steeds vaker terug naar het verleden.
- Doordat het kortetermijngeheugen steeds meer achteruitgaat, raakt de oriëntatie
gestoord.
- In deze fase ontstaan ook de eerste moeilijkheden met routinehandelingen:
schrijven, aankleden, veters strikken en afwassen.
- Er is enige hulp nodig, toezicht bij de routinehandelingen is vaak al voldoende.
De verzorgingsbehoefte fase (matig ernstige dementie).
- De geheugenproblemen verergeren, er bestaan nog alleen herinneringen aan heel
lang geleden. Het besef dat herinneringen verleden zijn wordt nu heden.
- De taal kan grof worden en de stemming zeer wisselend.
- In deze fase is begeleiding niet meer voldoende, de dagelijkse handelen kunnen
niet meer worden uitgevoerd en de patiënt wordt verzorgingsbehoeftig.
De verpleegbehoefte (ernstige dementie)
- In deze fase kan de patiënt niet veel meer, hij praat niet meer en begrijpt nog maar
heel weinig.
- Bijna niemand wordt nog herkend.
- Het leven draait om eten, drinken en warmte.
- Het gedrag wordt rustiger en soms maakt de patiënt een tevreden indruk.
- Bij alles wat de patiënt moet doen, is hulp nodig.
Boek: Neurologie voor verpleegkundige
Blz.: 240 t/m 250
18.1 - Het dementiesyndroom
Dementie kenmerkt zich vooral door een geleidelijke achteruitgang van het
geheugen. Maar ook andere cognitieve functies, zoals, taal, herkenning, planning- en
organisatievermogen raken verstoord.
Treft vooral ouderen vanaf de leeftijd van 65 jaar, 1 procent van de bevolking lijdt
eraan. Dit loopt op tot ruim 4 procent bij mensen van 90 jaar en ouder.
18.1.1 – De klachten en symptomen
Er moeten minimaal twee van de volgende vier verschijnselen aanwezig zijn:
Stoornissen in het geheugen
Vertraging van handelen en denken
Afasie, apraxie of agnosie
Stoornissen in de uitvoerende functie (plannen maken, doelgericht handelen).
Afwijkend sociaal gedrag
Door middel van observatie, exploratie en eventuele testen kun je tot de conclusie
komen dat er aanwijzingen zijn voor verschijnselen die passen bij het
dementiesyndroom.
Mini Mental Status Examination (MMSE) behulpzaam zijn score van 24 of hoger is
als normaal te beschouwen. Een langere score hoeft niet meteen te betekenen dat er
dementie is.
De diagnose wordt altijd multidisciplinair gesteld.
18.1.2 – De ernst van het dementiesyndroom
De eerste verschijnselen – hangen samen met het geheugen:
- Dingen uit het recente verleden worden vergeten.
De begeleidingsbehoefte fase (licht tot matige dementie).
- Gebeurtenissen in het lange termijngengeheugen zijn nog wel paraat, hij grijpt
steeds vaker terug naar het verleden.
- Doordat het kortetermijngeheugen steeds meer achteruitgaat, raakt de oriëntatie
gestoord.
- In deze fase ontstaan ook de eerste moeilijkheden met routinehandelingen:
schrijven, aankleden, veters strikken en afwassen.
- Er is enige hulp nodig, toezicht bij de routinehandelingen is vaak al voldoende.
De verzorgingsbehoefte fase (matig ernstige dementie).
- De geheugenproblemen verergeren, er bestaan nog alleen herinneringen aan heel
lang geleden. Het besef dat herinneringen verleden zijn wordt nu heden.
- De taal kan grof worden en de stemming zeer wisselend.
- In deze fase is begeleiding niet meer voldoende, de dagelijkse handelen kunnen
niet meer worden uitgevoerd en de patiënt wordt verzorgingsbehoeftig.
De verpleegbehoefte (ernstige dementie)
- In deze fase kan de patiënt niet veel meer, hij praat niet meer en begrijpt nog maar
heel weinig.
- Bijna niemand wordt nog herkend.
- Het leven draait om eten, drinken en warmte.
- Het gedrag wordt rustiger en soms maakt de patiënt een tevreden indruk.
- Bij alles wat de patiënt moet doen, is hulp nodig.