Paragraaf 8.8.3 - Benige tumoren colon + 8.8.4 maligne tumoren colon
Boek: Interne geneeskunde
Blz. 338 t/m 339
8.8.3 - Benige tumoren
De benige tumoren van het colon, bijvoorbeeld adenomen (klierweefsel), komen
vaker voor naarmate de leeftijd van de patiënt toeneemt.
Het zijn meestal poliepen structuren die solitair, multipel of gegeneraliseerd kunnen
voorkomen.
Veroorzaken over het algemeen geen klachten en worden dus ook niet of per toeval
ontdekt.
Doorsnee van de poliep groter dan 1 cm kans op maligne ontaarding neem toe:
voor poliepen groter dan 2 cm in doorsnee is deze kans meer dan 50%.
Is na verwijdering van één poliep het colon bij een controle colonscopie binnen één
jaar na de ingreep poliepvrij, dan kan worden volstaan met een controle na vijf jaar.
Bij meer poliepen geldt een interval van drie jaar.
Follow-uponderzoek draagt bij tot het voorkomen van coloncarcinoom.
Familiaire polyposis coli
Bij dit erfelijke ziektebeeld (autosomaal, dominant) ontwikkelen zich rond de puberteit
in het gehele colon grotere en kleinere poliepen.
Het grote aantal poliepen veroorzaakt klachten van diarree met slijm en/of bloed.
Colonscopie of röntgenologisch onderzoek als diagnosestelling.
Onbehandeld leidt deze ziekte altijd tot de ontwikkeling van een coloncarcinoom.
Behandeling bestaat uit vroegtijdig verwijderen van het aangedane colon.
8.8.4 - Maligne tumoren
Kwaadaardige colontumoren komen vaak voor: het adencarcinoom is de op een na
meeste frequente oorzaak van kankersterfte in Nederland.
Colitis ulcerose en familiaire polyposis coli zijn twee ziektebeelden waarvan bekend is
dat ze de kans op ontwikkeling van ene carcinoom verhogen.
Oorzakelijke factor: trage voedselpassage door een vezelarme voeding door de
trage passage worden onder andere galzuren omgezet in stoffen die uitermate
carcinogeen werken.
20-25% is gelokaliseerd in het rectum
24-30% in de sigmoïd. (S-vormige bocht tussen colon decendens en endeldarm
(kanteldarm).
Metastasen treden relatief snel op: ten tijde van het stellen van de diagnose blijkt er
reeks in 60-70% van de gevallen metastasering te zijn opgetreden.
Onderzoek
In eerste instantie röntgenologisch en endoscopisch onderzoek.
Colonscopie geeft de voorkeur omdat er al meteen verder microscopisch onderzoek
kan plaatsvinden met afgenomen biopten.
Laboratoriumonderzoek, vooral onderzoek op de ontlasting op de aanwezigheid van
hemoglobine, kan eveneens als ondersteuning dienen. (Beperkte waarde).
Bepaling van het CEA (carcino-embryonaal antigeen) heeft voor het diagnosticeren
van het carcinoom weinig zin, maar heeft wel nut voor het opsporen van metastasen.
Stijgt de aanvankelijk normale waarde van he CEA na een resectie van de tumor,
dan is het waarschijnlijk dat er metastasen aanwezig zijn.