1. Binnen een organisatie behoren het secretariaat, de
loonadministratie en de huishoudelijke dienst tot de:
A. Strategische top
B. Ondersteunende staf
C. Technische staf
2. Welk van deze factoren valt niet onder situationele factoren:
A. De leefijd en omvang van de organisaie
B. De omgeving van de organisaie
C. Het organogram van de organisaie
3. Voor het concurrerende-waardenmodel moesten er twee vragen
gesteld worden, welke vraag is onjuist:
A. Is de organisaie intern of extern gericht?
B. Is het een kleine of grote organisaie?
C. Wordt de organisaie exixel of xeheersend xestuurd?
4. Wat zijn kerncompetenties:
A. De sector waarin de onderneming zich xevindt
B. Het doel van de onderneming
C. De aspecten waar de onderneming goed in is
5. Wanneer de groep bestaat uit een en dezelfde en verschillende
hiërarchische niveaus, aan welke samenstelling denken we dan:
A. Horizontaal
B. Vericaal
C. Gemengd
6. De belbinrollen kunnen worden onderverdeeld in vier categorieën,
welk is onjuist:
A. Doelstellen
B. Denken
C. Voelen
D. Doen
7. Welke basisconfguraties heeft Mintzberg als laatste nog
toegevoegd:
A. Poliieke organisaie
B. Divisie organisaie
C. Machine organisaie
8. Welk management heeft een reikwijdte van 1-3 jaar:
A. Topmanagement
B. Middenmanagement
C. Lager management