Week 1: coxartrose en gonartrose.....................................................................................................2
Diagnostek bij artrose van heup en knie.......................................................................................4
Revalidate na totale heupprothese...............................................................................................5
Werken en sporten na totale knieprothese....................................................................................6
Week 2 heupaandoeningen................................................................................................................8
Trochanter major pijnsyndroom.....................................................................................................8
Femoroacetabulair impingement.................................................................................................10
Avasculaire botnecrose heup.......................................................................................................11
Heupfracturen..............................................................................................................................13
week 3: Knieaandoeningen..............................................................................................................16
Ruptuur van de hamstrings...........................................................................................................16
......................................................................................................................................................17
Meniscus Laesies..........................................................................................................................18
Iliotbiale bandensyndroom..........................................................................................................20
de voorste kruisband ruptuur.......................................................................................................22
Week 4: Knieaandoeningen II...........................................................................................................24
Patellafemoraal pijnsyndroom.....................................................................................................24
Patellafemorale instabiliteit.........................................................................................................26
Patellafractuur..............................................................................................................................27
Osgood Schlater..........................................................................................................................28
Week 5: onderbeen en enkelaandoeningen.....................................................................................29
Spierletsel gastrocnemius.............................................................................................................29
Mediaal tbiaal stress syndroom...................................................................................................29
Claudicato intermitens...............................................................................................................31
(Achillespees)tendinose................................................................................................................33
Achillespeesruptuur......................................................................................................................35
Week 6 Enkel en voet aandoeningen...............................................................................................36
Inversietrauma (supinatetrauma)................................................................................................36
Inversietrauma.............................................................................................................................38
Tarsale tunnelsyndroom...............................................................................................................39
Fasciosis plantaris.........................................................................................................................41
Mortons neuroom........................................................................................................................42
Aandoeningen voet en enkel: Hallux valgus, Hallux rigidus, Klauwteen, Hamerteen...................44
,Week 1: coxartrose en gonartrose
Incidente/ prevalente:
,Verwerkingsopdracht:
Verhaar (2013). Paragraaf 20.3
1. Benoem de risicofactoren voor het ontstaan van coxartrose.
Leefijd: 260.000 personen van >55 jaar. Komt bijna 2 x zo vaak voor bij vrouwen als bij mannen.
Artrose komt vaker voor bij repeterende mechanische overbelastng tjdens beroepsmatge
werkzaamheden (landbouwer en heupartrose).
2. Benoem de risicofactoren voor het ontstaan van gonartrose.
Leefijd: 340.000 personen van > 55 jaar. Komt bijna 2 x zo vaak voor bij vrouwen als bij mannen.
Obesitas is duidelijk geassocieerd met een hogere prevalente van knieartrose. Vetweefsel
produceert adipokinen (zoals leptne, adiponectne), die in verhoogde concentrate in het bloed
voorkomen en veelal worden gezien als pro-infammatoire moleculen. Daarmee kunnen deze stofen
dus in potente de initate van artrose verder aanjagen. De verhoogde incidente van artrose bij
obesitas is dus niet alleen mechanisch maar ook metabool bepaald.
Verhaar (2013). Paragraaf 20.4
3. Beschrijf de symptomen van artrose.
Gewrichtsstjjeid, pijn, bewegingsbeperking, crepitates, instabiliteit, slotklachten door
kraakbeenpartkels en meniscusresten in het kniegewricht, hydrops en infammatoire afwijkingen.
Vaak startstjjeid en (langdurige) ochtendstjjeid.
4. Geef een aantal mogelijke oorzaken voor het ontstaan van pijn bij artrose.
Pijn, onduidelijk waar dit precies vandaan komt want er ziten geen zenuwuiteinden in kraakbeen.
Discrepante tussen radiologische artrose en symptomatologie. Mogelijke oorzaken:
Intraossale drukverhoging in bot door veneuze stuwing
Subchondrale microfracturen
Prikkeling periostale vrije zenuwuiteinden
Rek vanuit gewrichtskapsel
Synovits
, 5. In 1/3 van de gevallen is er een discrepantie tussen het radiologisch beeld
bij artrose en de klinische symptomatologie. Wat wordt hiermee bedoeld?
Dat op de radiologische beelden soms erg veel schade is, maar de mate waarin klachten ervaren
worden daar niet mee overeenkomt. Of er is erg weinig schade en er worden veel klachten ervaren.
De mate van schade en de mate van klachten hebben dus geen direct verband.
KNGF richtlijn artrose knie heup (2010) A.3.3 en A.3.5.
6. Geef een uitgebreide beschrijving van het klinisch beeld bij cox- en
gonartrose
Pijn bij het starten van de beweging en bij langdurig belasten. Pijn neemt toe als de dag vordert. In
latere fasen ook nachtelijke pijn en pijn bij rust. Verder is er startstjjeid en duidelijk palpeerbare
osteocyten aan de gewrichtsrand, hydrops en synovits. Crepitates (hoorbaar en voelbaar)
waarschijnlijk door vervorming van de gewrichtsoppervlakten. Er kan synovits ontstaan, wat zorgt
voor pijn, zwelling en temperatuurverhoging. Bewegingsbeperking in gewricht, standsverandering in
gewricht door toenemende destructe van gewricht structuren instabiliteitsklachten
Specifek voor Coxartrose: pijn in lies en voor-lateraal, soms uitstralend naar been en knie.
Verminderde endo, exorotate en adducte, krachtverlies bij abducte, benig eindgevoel, pijn bij
palpate ligamentum inguinale. Leefijd vaak 60+
Specifek voor Gonartrose: pijn in en rond knie, soms ook in bovenbeen of heup. Ochtendstjjeid
<30 minuten, crepitates, gevoelige benige structuur, benige verbreding van het kniegewricht, geen
hogere temperatuur in kniegewricht. Leefijd vaak 50+
7. Geef een uitgebreide beschrijving van het beloop van artrose
Meestal een langzaam voortschrijdend proces. Er kunnen stabiele perioden zijn waarin vrij weinig
symptomen aanwezig zijn. Deze perioden kunnen worden afgewisseld met perioden waarin de
aandoening actever is en er meer symptomen aanwezig zijn. Er kan ook een ‘faree optreden: een
opvlamming van de artrose met ontstekingsverschijnselen.
Diagnostiek bij artrose van heup en knie
8. Beschrijf de klinische bevinden bij coxartrose.
Patiënt ouder dan 60
Klachten bestaan langer dan 3 mnd
Drukpijn bij ligamentum inguinale
Ziten verergert de klachten niet
Verminderde exorotate, endorotate en adducte
Verminderde kracht bij abducte (symptoom van Duchenne)
Verminderde mobiliteit
Hard eindgevoel
Bij infammate zijn zwelling en temperatuurverhoging en roodheid vaak niet
waarneembaar omdat het gewricht dieper ligt en zich bevind onder een dikke
laag bindweefsel, spieren en vet.
9. Beschrijf de loopstoornissen die kunnen voorkomen bij
coxartrose.
Bekken kantelt naar voren en romp beweegt zich naar voren als aangedane
been achter is door beperkte en/of pijnlijke retrofexie. Bij iedere stap wordt
de eindstand van het aangedane heupgewricht te vroeg bereikt.