- Opkomst handel en ambacht
- Opkomst stedelijke burgerij en toenemende zelfstandigheid steden
- Investituurstrijd
- Expansie christendom: kruistochten
- Begin staatsvorming en centralisatie
4.1
- Oorzaken opleving handel:
- De plunderingen stopten
- Veiligheid keerde terug
- Nieuwe technieken in landbouw (paarden voor de ploegen ipv ossen
en nieuwe soort ploeg) → drieslagstelsel (zomer gedeelte,
wintergedeelte en braak liggende)→ ontginningen
- Meer landbouwproductie
- Overschotten konden verhandeld worden.
- Kooplieden en landsheren stimuleerden de groei van de handel:
- Voor centralisatie en staatsvorming
- Zij konden namelijk door middel van geld (wat beschikbaar kwam door
handel) belastingen vragen. (In ruil voor stadsrechten voor de burger)
- Zo kond de heer ambtenaren en een leger huren met het geld (deze waren
geleerder dan boeren en horigen en de heer had de mogelijkheid hen te
ontslaan)
- Belang bij stadsrechten:
- Landsheren: belastingen ontvangen zodat hij ambtenaren en een huurleger
kon inhuren.
- Stadsbewoners: konden met stadsrechten hun eigen wetten bepalen, recht
op jaarmarkt, tolvrijheid en een verdedigingsmuur om de stad.
- In de steden leefden er groepen mensen met verschillende bestuurlijke en
economische rechten:
- Burgerij → inwoners met het burgerrecht. Zij hadden recht op
berechting als zij iets hadden misdaan. Kwamen in aanmerking voor
bestuursambten.
- Patriciërs→ machtige families binnen de burgerij die de
belangrijkste bestuursfuncties vervulden.
- Mensen zonder burgerrecht→ arme, ongeschoolde arbeiders, deden
het sjouwwerk. Waren vaak mensen die op het platteland niet meer
nodig waren. Door huwelijk of een geldsom kon deze mensen wel bij
de burgerij behoren.
- Om concurrentie (door grotere bevolking) tegen te gaan stichtte handelaren
gilden op. (wie er niet bij hoorde, mocht zich ook niet gaan specialiseren in
het vak). Zo hielden zij concurrentie klein, prijzen hoog.
- De pest:
- Op korte termijn was eenderde van de bevolking overleden.
- Op lange termijn was er dus minder bevolking en dus minder vraag naar
voedsel. Hierdoor kwam er een crisis in de landbouw. Prijzen daalden fors.
De overlevenden van de pest konden nu luxere goederen veroorloven.